In Rotterdam staat niemand er nog bij stil, maar op 7 september aanstaande is het precies 75 jaar geleden dat in Berlijn drie Rotterdammers tegelijk werden opgehangen.

door Gert van Engelen

Het gebeurde in 1943 in Plötzensee, de lugubere gevangenis in de Berlijnse wijk Charlottenburg.
Tussen 1933 en 1945 zijn daar 2891 mensen onthoofd of opgehangen: ‘gewone’ moordenaars, maar ook politieke tegenstanders van het naziregime en veroordeelde buitenlandse dwangarbeiders.

In totaal zijn in Plötzensee 35 Nederlanders geëxecuteerd − drie geboren Rotterdammers op een en dezelfde dag, vier andere Rotterdammers op andere tijdstippen. Wie waren zij? Wat hadden zij misdaan?

Een bericht uit Berlijn.

Een aflopend, krom straatje, grotendeels bestaand uit basaltkeien, leidt er naar toe, naar de ingang van de Gedenkstätte Plötzensee, de gedenkplaats die de Senaat van Berlijn in 1951 liet aanleggen.
Je loopt door een poort en tegenover je rijst een hoge muur op, de herdenkingsmuur. Aan de achterkant staat de bakstenen executieschuur, althans het deel dat ervan is overgebleven, nadat het voor de muur was gehalveerd.

Plötzensee is nog altijd een strafgevangenis. Dat ervaar je meteen als je op de executieschuur afloopt: de gedenkplaats, een verder ruim, leeg plein, is omringd door hoge muren, prikkeldraad, een stenen wachttoren en camera’s. Het is er doodstil en verlaten. De schuur inlopend word je meteen geconfronteerd met vijf van de haken waaraan de gevangenen indertijd werden opgehangen. Op de vloer liggen en staan bloemen, kransen en herdenkingskaarsen. De rillingen lopen je over de rug: dit is een sinistere, akelige plek.

Berlijnse gruwelgevangenis

Hier, in dit oord, werden op 7 september 1943 drie Rotterdammers tegelijk achteloos vermoord. Hun namen zullen een enkele nog levende nabestaande wellicht nog iets zeggen, maar voor de gemiddelde tegenwoordige Rotterdammer zijn zij allang in het afvoerputje van de geschiedenis geraakt.

Het waren expeditieknecht Jan Hoorn (28-8-1905), spekslager en verzetsman Jan Cornelis van Schaik (24-6-1908) en matroos Willem Vreeswijk (12-3-1906). Alle drie authentieke Rotterdammers, respectievelijk toen 38, 35 en 37 jaar oud, alle drie zonder mededogen opgeknoopt.

Marcel de Ronde en de speurtocht naar het strafdossier van zijn opa Dirk

De Plötzensee-gevangenis is buiten de poorten van Berlijn gebouwd, tussen 1868 en 1879. Het gebouwencomplex beslaat 25 hectare. Twaalfhonderd gevangenen konden er worden gehuisvest, die er beschikten over royale open terreinen. Vrij snel nadat de nationaalsocialisten in 1933 in het Derde Rijk gingen heersen, werden de condities in Plötzensee harder, nietsontziend. Niet langer kwamen er alleen misdadigers terecht, maar ook politieke tegenstanders, die als inferieure elementen werden beschouwd.

Vanaf 1939 belandden er ook buitenlanders, die als dwangarbeider naar Duitsland waren gedeporteerd, en kennelijk een of ander vergrijp hadden gepleegd.

Ze moesten verschijnen voor special opgezette, nationaalsocialistische rechtbanken (Sondergerichte). Deze gaven “voor kleine, onbeduidende misdrijven meestal de doodstraf”, zoals de brochure van Gedenkstätte Plötzensee zelf meldt. |
De veroordeelden werden zolang opgesloten in het grote, drie vleugels tellende Gebouw 3, vlakbij de executieschuur. Toen dit gebouw in de herfst van 1943 tijdens een geallieerde luchtaanval zwaar werd beschadigd, ontstond er overbevolking, en leefden de gevangenen in nog armoediger en onhygiënischer omstandigheden.
Als gevolg daarvan moesten (ondervoede en zieke) gedetineerden in het voorjaar van 1945 noodgedwongen worden vrijgelaten. Als de Russen in april 1945 Plötzensee bevrijden, is het complex vrijwel verlaten.

Tussen 1933 en 1945 zijn in de executieschuur bijna drieduizend personen opgehangen of per guillotine onthoofd. De grootste groep vormden de Duitsers zelf: 1437. Daarna volgen: Tsjecho-Slowakije (677), Polen (253), Frankrijk (245), Oostenrijk 89), België (68), Nederland (35), de Sovjet-Unie (24) en Joegoslavië (14).
Op de website van Plötzensee wordt onomwonden gesteld dat zij “unjustly” ter dood veroordeeld zijn, onrechtvaardig.

Totenbuch

Los van de drie Rotterdammers die op 7 september 1943 een touw om de hals gelegd kregen, zijn er nog vier Rotterdammers opgesloten en gedood in Plötzensee. Zij werden op andere dagen, en soms in andere jaren terechtgesteld.
Dit waren ze: de 22-jarige arbeider Ludovicus Janssen (1922-1944), de 26-jarige chauffeur en monteur Isaac Jacobus Rens (1916-1943), de 27-jarige toneelspeler Johannes van Wilgenburg (1917-1944) en de 24-jarige chauffeur en monteur Dirk Johan de Ronde (1921-1945).

Al deze zeven Rotterdammers komen ook voor op de website van de Oorlogsgravenstichting, behalve Dirk de Ronde. Merkwaardig genoeg wordt hij nergens vermeld, terwijl zijn naam wel staat in het Totenbuch Plötzensee. Rondom De Ronde speelt nog iets uitzonderlijks, daarover straks meer.

Wat hadden de Rotterdammers eigenlijk misdaan? Uitsluitsel daarover heeft Andres Herbst gegeven, de archivaris van de Gedenkstätte Deutscher Widerstand, een instantie in Berlijn die het verzet in Duitsland documenteert. Desgevraagd stuurde hij samenvattingen van de procesdossiers, voor zover voorhanden. Ingekort wordt hier weergegeven waar de zeven van zijn beschuldigd.

Jan Hoorn: hielp als matroos en havenarbeider de scheepssabotagegroep van de Duitse communist Ernst Wollweber, werd gearresteerd op 2.10.1940.

Jan Cornelis van Schaik: staat ook in contact met deze groep, wordt op 1.10.1940 vastgenomen en in 1942 door het Volksgerichtshof veroordeeld wegens Vorbereitung zum Hochverrat.

Willem Vreeswijk: eveneens werkzaam voor deze groep. Vaart met zijn schip ‘Westplein’ regelmatig naar de haven van Narvik en Lulea, geeft informatie van de sabotagegroep door en verscheept springstof en brandbommen. Hij wordt gearresteerd op 3 oktober 1940 en krijgt dezelfde veroordeling.

Van Janssen, Rens en Van Wilburg heeft Herbst geen nadere gegevens kunnen bijvoegen. Over de veroordeling van Jacobus Rens is overigens als enige van de zeven een gelijkluidend bericht in verschillende, maar gelijkgeschakelde Nederlandse kranten verschenen. En daarin staat wel de reden voor zijn doodstraf: wegens herhaalden diefstal.

Het Rotterdamsch Nieuwsblad (op 18-2-1943): “Rens zou onder anderen op stations koffers e.d. hebben gestolen. Op het oogenblik van zijn arrestatie zou hij in bezit zijn geweest van 2000 mark.” (Het RN was redactioneel in de oorlogsjaren in Duitse handen).



Van Dirk de Ronde toont de website van Plötzensee twee foto’s. Hij is de enige van de zeven Rotterdammers die zo een gezicht krijgt. Op de ene foto poseert hij naast een even keurig geklede jongeman, op de andere met een hondje.

Zijn deze foto’s in zijn kleren aangetroffen en bewaard gebleven?
Kan Andreas Herbst de herkomst ervan verklaren?

Herbst stuurt per ommegaande uitleg: hij heeft de foto’s gekregen van Marcel de Ronde, een kleinzoon van Dirk. Hij voegt het adres van deze Marcel bij, en zo kan dit familielid worden opgespoord.

Marcel de Ronde vertelt dat hij al een tijdje met het idee rondloopt om een artikel over zijn grootvader te schrijven voor de Oud-Rotterdammer, maar het ontbrak hem gewoon aan tijd.
Al decennia is hij bezig te achterhalen wat zijn opa is overkomen. Hij heeft een “behoorlijk dossier” opgebouwd. Hij heeft “een beeld van wat zich allemaal heeft afgespeeld” vóór Duitsland en hij heeft de genealogie uitgespit. Van zijn oma heeft hij gehoord wat er rond zijn opa zou zijn gebeurd, in haar versie. Opa was in Duitsland tewerkgesteld, en had op een dag langs het spoor een camera gevonden. Toen hij hierna werd betrapt met het toestel, bleek dat er foto’s mee waren gemaakt van bunkers in de duinen van Hoek van Holland. “Om die reden is hij toen doodgeschoten.”
Marcel de Ronde ontdekte later dat dit “verhaal totaal uit z’n verband is gehaald; het bleek heel anders in elkaar te zitten.”

Hij zocht het uit.

Archivaris dr. Raymund Schütz van het Rode Kruis in Den Haag berichtte hem dat Dirk de Ronde op die 19e januari 1945 om 11.39 uur “ten gevolge van onthoofding” is gestorven.
“De aanklacht op grond waarvan hij is veroordeeld, was diefstal. Het is overigens bekend dat men voor bijvoorbeeld het ‘stelen’ van een paar sneeën brood al tot een dergelijke straf kon worden veroordeeld.”
Schütz deed De Ronde in 2010 de suggestie om een verzoek om meer documentatie in te dienen bij de International Tracing Service in Bad Arolson, het immense archief- en onderzoekscentrum over nazi-vervolging en de slachtoffers, dat een afdeling van het Rode Kruis is.
Dat heeft De Ronde gedaan. Hij is nu in het bezit van de complete beschuldiging, de rechtsgang en de veroordeling van zijn grootvader, plus die twee fotootjes. Hij is er alleen nog steeds niet toegekomen om alles tot een artikel uit te werken.
Wat heeft hij achterhaald?
Het incident van de camera staat compleet los van de arbeid in Duitsland. “Na zijn werk als monteur op een sleepboot had mijn opa naast het spoor een camera gevonden. Dit bracht hem op het idee om de bunkers in het duingebied te fotograferen en de foto’s, voorzien van de locatie-coördinaten, door te geven aan de Engelsen.”
Maar bij de transactie ging iets grondig mis. De Ronde (foto hieronder) werd opgepakt en vervolgens “vele dagen door de moffen ondervraagd en mishandeld op een politiebureau in Charlois”.

NSB-buurman

Een NSB-buurman van de familie De Ronde, wonend op de Brielselaan, deelde oma De Ronde pesterig mee dat zij “maar niet te veel hoop moest koesteren op de terugkeer van haar man”. De buurman had namelijk zelf gezien dat De Ronde “vreselijk gehavend was”. Toch werd opa vrijgelaten.

Midden in de oorlog hoorde hij hierna van een kennis dat er in Duitsland goed geld viel te verdienen als arbeider. Hij kwam terecht bij een ‘groep-Speer’ en ging werken als vrachtwagenchauffeur voor het bezorgen van post.

Marcel: “Naarmate de oorlog vorderde, werden de arbeidsverhoudingen echter grimmiger. Er werd geen verlof meer gegeven en salarisbetaling bleef achter.”

In Rotterdam was inmiddels Marcel’s vader geboren. Opa moest zorgen dat “zijn vrouw in Rotterdam, met haar twee zeer jonge kinderen, iets te eten had”. Daarop is hij met nog vijf andere chauffeurs “stelselmatig postpakketjes achterover gaan drukken. Pakketten die vaak waren bedoeld voor Duitse officieren, gevuld met niet-alledaagse lekkernijen zoals chocolade. Maar ook met sigaretten, die als ruilhandel gebruikt konden worden”.

De mannen werden gesnapt. Dirk de Ronde is als enige ter dood veroordeeld. De drie anderen belandden in strafkampen, waar zij de oorlog ook niet hebben overleefd. De rest kreeg slechts lichte straffen. Het dossier over de kwestie is vijf centimeter dik. “Bijzonder” noemt Marcel de “handgeschreven smeekbede” die zijn opa nog in wanhoop aan Hitler heeft gestuurd.

Gaandeweg is Marcel de Ronde tijdens alle research iets gaan storen: dat personen die in de oorlog veroordeeld waren voor diefstal, door de Nederlandse staat niet erkend zijn “als verzetsstrijder of iets dergelijks”. Een uitkering bleef dus uit, en dat acht De Ronde onrechtvaardig.

Zijn oma, Jannetje Hokke, heeft het tijdens en na de oorlog, met haar twee kleine kinderen, maar moeten zien te “rooien met wat zij had”. “En dat was niet veel!”

 

Print Friendly, PDF & Email