Dagblad010 | Bersiap, rampokkers en geschiedschrijving

Bersiap, rampokkers en geschiedschrijving

mainImage

De vader van een vriend vertelde me een verhaal uit Nederlands Indië. Als jongen zat hij met zijn moeder en zussen in het Jappenkamp. Van de ene op de andere dag bleken ze te zijn “bevrijd”.

Van vooroorlogs personeel, dat hen regenmatig via een hek stiekem van voedsel had voorzien, begrepen ze dat Japan had gecapituleerd. Zelf merkte ze dat pas, toen de commandant op het appel, waar ze met gebogen hoofd moesten staan wachten, hen via een tolk vertelde dat de oorlog afgelopen was. De hekken gingen niet open, omdat overal net bevrijdde Nederlanders werden vermoord. Meestal vrouwen en kinderen, omdat de mannen vaak in werkkampen buiten Indië zaten. De Jappen hadden van de geallieerden de verplichting gekregen alle gevangenen, mannen, vrouwen en kinderen vanaf dat moment te beschermen.

Omdat ze benieuwd waren wat in andere kampen aan de gang was en omdat ze nog Indische verwanten hadden, die niet geïnterneerd waren, stuurden de moeder haar zoon met de trein naar een nabijgelegen stad. Hij ging dus als negenjarige die reis in zijn eentje maken. Halverwege de rit stopte de trein abrupt. Na enige tijd keken enkele met bamboesperen bewapende “inlanders” (zo noemde hij ze) rond in de coupé en vertrokken weer. Anderen hadden dat geluk niet. “Ze lieten me zitten, omdat ik een Indisch uiterlijk heb” legde hij me uit. ”De “rampokkers” slachtten iedereen met een Westers uiterlijk, voornamelijk kinderen en vrouwen, zonder pardon af en lieten de trein daarna weer vertrekken”

Een vriend - elf jaar ouder dan ik – en ook afkomstig uit “ons” Indië – vertelde me over zijn wonderbaarlijke redding. Ook hij verkeerde in de situatie dat het kamp was “bevrijd” maar dat men niet naar buiten kon. Een paar straten buiten het kamp woonde een Indische familie , die hen net als bij de vader van mijn vriend, regelmatig van extra voedsel had voorzien. Tegen de avond sloop hij uit het kamp om nog wat te halen. Omdat hij blond was, viel hij een keer op en vanaf dat moment werd hij extra in de gaten gehouden. Op een avond was zijn sluipweg naar het kamp versperd en holde hij terug, maar ook daar stonden gewapende mannen. Net toen ze wilden toeslaan – hij was negen jaar oud -  hoorde hij een motor toeteren. Een Japanner, die hem wenkte achterop te gaan zitten en zo zijn leven redde.

In de periode tussen de Japanse capitulatie en de komst van geallieerde militairen -  de eerste waren Britse Gurka’s - zijn naar schatting meer dan 30.000 Indiërs van Nederlandse afkomst vermoord. Het aantal slachtoffers is moeilijk te bepalen, omdat niet altijd duidelijk was of gezinnen voor of na de Japanse overgave verdwenen waren. Daarnaast zijn ook veel Indonesiërs in die periode omgekomen. Of omdat ze van een andere groep waren – Chinezen bijvoorbeeld - of omdat ze het “verkeerde” geloof hadden.

Het merkwaardige is dat de Nederlandse regering er alles aangelegen was deze bloedige periode te verdonkeremanen. Zelfs vijftig jaar na data kwam de meeste informatie niet naar buiten. Informatie die was vergaard en verzameld door de uit Nederland gestuurde militairen en daarom waarschijnlijk militair geheim was. De relatie met Indonesië, waar toen nog veel Indische Nederlanders leefden, moest klaarblijkelijk kost wat kost goed blijven!

Er is niet veel veranderd.