Dagblad010 | Bij misdaden geldt privacywetgeving niet

Bij misdaden geldt privacywetgeving niet

mainImage

Jacobus Lambertus Lenz bleek tot zijn verbazing na de oorlog een gehate persoon. Hij was ambtenaar bij het bevolkingsregister en in die hoedanigheid had hij met uiterste nauwgezetheid een persoonsbewijs ontwikkeld dat vrijwel niet te kopiëren viel.

Hij werd veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en dat alleen omdat hij zijn werk te goed gedaan zou hebben. Hij begreep namelijk niet dat de bezetters zijn vinding wilden gebruiken om de Joodse bevolking te onderscheiden van de rest van de Nederlanders. In hun persoonsbewijs stond een J. Iedereen werd verplicht zijn of haar  bewijs bij zich te dragen. Omdat door zijn inspanning het namaken vrijwel onmogelijk was, bleek het verzet genoodzaakt bevolkingsregisters te overvallen om aan blanco exemplaren te komen en om de bevolkingsregisters op te blazen. Vele verzetsstrijders kwamen om of verdwenen in concentratiekampen.  De nauwgezetheid en het plichtsbesef van Lenz bleken - in de verkeerde handen – dodelijk.

Sindsdien worstelt de Nederlandse samenleving, met name de generaties die de oorlog hebben meegemaakt, met een probleem. Het liefst willen ze dat de overheid helemaal niets over hen te weten komt, want …….. je weet maar nooit. De mogelijke overgang naar een totalitair communistisch systeem of een Russische bezetting waren toen ook constante dreigingen. George Orwell heeft er is zijn boek “1984” niet voor niets voor gewaarschuwd. “Big brother is watching you”

De broodnodige uitgebreide identificatieplicht is pas in 2005 doorgevoerd en leidde tot veel beroering. De verwijzingen naar de bezetting (godwins) vlogen de voorstanders om de oren. De Nederlandse gezagsdragers worden gewantrouwd en hun werken daardoor bemoeilijkt. Dat komt misschien ook door de te lijdzame houding van het ambtelijke apparaat gedurende de bezetting; de spreekwoordelijke burgemeesters in oorlogstijd, die net teveel meewerkten.

In de cultfilm Pulp Fiction zeggen de twee boeven tegen elkaar dat in The Netherlands het onmogelijke waar is: De politie mag niet in je auto zoeken of je zomaar fouilleren. Spekkie naar hun criminele bekkie! Op werkbezoek bij de politie in het havengebied hoorde ik dat de politie soms douane meeneemt, omdat die wel in auto’s mogen kijken!

Uit deze merkwaardige wantrouwige houding jegens de overheid vloeit ook het privacyprobleem voort. Toen wij als Leefbaar Rotterdam in 2002 direct pleitte voor veel meer cameratoezicht werden we door de oppositie bedolven onder de godwins. Daar waren ze sowieso al goed in, maar nu was het hek van de dam. “Wie beschermt de privacy van de mensen die voor de camera komen?” Ook bij ons voorstel om soms over te gaan tot preventief fouilleren viel de term “razzia”.

Toch zijn beide nu ingevoerd en hebben veel succes. Excuses hebben we nooit gehoord; dat willen we ook niet. Het gaat ons om voorkomen van criminaliteit en het voor de rechter brengen van de slechteriken.

Het klinkt me dan ook heel bekend in de oren, dat onze burgemeester de wet op de privacy een belemmering voor de politie vindt. Mensen die niets te verbergen hebben zullen geen probleem met privacy hebben. Sterker nog als morgen wordt besloten tot een nationale DNA-bank waarin DNA van iedere Nederlander opgeslagen ligt, dan meld ik me als eerste aan. Dat kan de politie c.q. recherche enorm helpen.

Trouwens, ondertussen weten Face Book, Netflix en mijn ziektekostenverzekering vrijwel alles van me. Ik geef altijd toestemming voor cookies, omdat het zoveel makkelijker is. 

Dus laten we het juk van de Tweede Wereldoorlog van onze schouders werpen en begin met verzamelen van dat DNA en ons niet meer laten leiden door privacyregels als het om misdaden gaat. Nogmaals, ik heb niets te verbergen en de onderbemande politie kan iedere hulp gebruiken.