Zo’n vijfentwintig jaar geleden kochten veel Rotterdammers met een kleine beurs een huis op grond van de gemeente. Geen koopgrond, maar erfpachtgrond. Ze betaalden een jaarlijkse huur (canon) voor de grond onder hun huis. Voor velen was dat de enige manier om aan een woning te komen.
Het contract liep meestal 25 jaar. Daarna moest het verlengd worden. Er was ook een optie om de grond meteen te kopen, voor zo’n acht- tot vijftienduizend euro. Nog altijd veel geld, maar voor sommigen nét haalbaar. De meesten deden het niet. Ze waren jong, met kinderen, een krappe beurs en een huis dat toen al duur genoeg leek. Ze dachten: dat zien we over 25 jaar wel weer.
En toen bleef het stil. De gemeente liet decennialang niets van zich horen. Tot nu. Nu vallen er brieven op de mat: “Uw erfpachtcontract loopt af.” En opnieuw de keuze: kopen of huren.
Rotterdam telt nog altijd 25.000 tot 30.000 tijdelijke erfpachtcontracten. In de kern lijkt het simpel: na afloop kies je, kopen of huren. Maar in de praktijk is het een keiharde keuze. Waar de gemeente in 2002 (door Leefbaar Rotterdam) nog beloofde dat de waardestijging van de grond aan de erfpachter zou toekomen, gebeurt sinds 2013 precies het omgekeerde. De koopsommen zijn geëxplodeerd: van 8.000–15.000 euro toen naar 120.000–160.000 euro nu. Een stijging van wel 1100%.
Mensen hoeven niet te kopen, maar wie blijft huren, ziet zijn huis onverkoopbaar worden. Geen koper wil zich vastleggen aan zulke erfpachtvoorwaarden. Zo raken gewone Rotterdammers, inmiddels ouderen met een afgeloste hypotheek, gevangen in een systeem dat hun eigen gemeente heeft laten ontstaan.
Dat is mijn grootste ergernis: dit is geen pech, dit is nalatigheid van de overheid. De gemeente heeft nooit gewaarschuwd, nooit begeleid, nooit eerlijk verteld wat er boven de hoofden van haar bewoners hing. En nu presenteert ze de rekening.
Waarom vraagt de gemeente ineens marktconforme prijzen? Sinds wanneer is een overheid er om winst te maken op de grond onder onze huizen? Ideëel gezien had die grond nooit verkocht mogen worden: de aarde is van ons allemaal, en de gemeente beheert die namens de gemeenschap. Door verkoop raakt de stad juist regie kwijt en krijgt speculatie vrij spel. Maar dat station is gepasseerd. In 2002 besloot Leefbaar dat grond ook particulier eigendom kon worden. Terugdraaien kan niet meer. We zitten nu met de erfenis: ongelijkheid en onzekerheid.
Mijn stelling: verkoop die grond aan de bewoners, maar dan wel tegen de historische waarde van 25 jaar geleden. Dat is eerlijk, want de gemeente heeft haar bewoners te lang in het ongewisse gelaten. De overheid is er niet om winst te maken, maar om te beschermen.
En ja, dat kost de gemeente geld. En ja, de gemeenschap draagt mee. Daarom zie ik een tweede optie: een korting van 40% (depreciatie). Dan dragen zowel bewoners als gemeenschap een deel van de last. Dat is polderen, zoals we dat in Nederland kennen.
Wat níet kan, is de huidige koers. Want een stad waar mensen zich thuis willen voelen, begint met zekerheid over het dak boven hun hoofd – niet met een financiële strop die door hun eigen stadsbestuur is veroorzaakt.
- Ellen Verkoelen, vaak gezien als 'het geweten van Rotterdam', is fractievoorzitter van de Jongere Ouderen Unie.