De stuitende hypocrisie van NIDA

31 January 2020, 07:00 uur
Columns
mainImage

De Rotterdamse gemeenteraad staat erom bekend een beetje rauw te zijn. Han van Midden, de voormalige raadsgriffier, zag daar bij zijn afscheid een essentiële taak van de volksvertegenwoordiging: politici zijn bezig op te komen voor hun achterban, om ze te emanciperen, en daar hoort al te veel zachtzinnigheid niet bij.

Mijn stijl is het niet, het smijten met hyperbolische verwijten om je punt te maken, of het nodeloos oppompen van alleszins overzichtelijke problemen. Ik hou meer van proberen elkaar te begrijpen dan elkaar beledigen, en meer van het compromis dan van het opgeblazen verschil. Dat is een kwestie van karaktertrekken, overtuiging, en ook pragmatisme: de idealen die ik mag vertegenwoordigen verlangen nu eenmaal deze houding.

Indachtig Van Midden’s afscheidsrede besef ik me echter: andere raadsleden en andere partijen hebben andere achterbannen, met andere noden. Ik heb er begrip voor dat zij hun rol anders invullen dan ik de mijne. Bovendien: ieder vogeltje moet zingen zoals het gebekt is. Die houding werkt, heb ik gemerkt, als een soort isolatiemateriaal: het getetter dringt meestal nog nauwelijks tot me door. Sòms gebeurt er echter iets dat als een speer door die isolatie heen gaat en wat me pislink maakt. Dat gebeurde deze week.

Een korte aanloop: twee weken geleden schreef wethouder Wijbenga, de man die zich meer dan wie ook tijd en inspanning getroost om onze ingewikkelde samenleving meer relaxed te maken, dat de praktijk hem had geleerd dat er een grens is aan het aantal vluchtelingen die we in onze stad kunnen opvangen. Vluchtelingen écht onderdeel maken van de samenleving en ze kans bieden op een hogere kwaliteit van leven vergt veel inspanning en geld, en dat hebben we niet onbeperkt beschikbaar. Ik schreef daar zelf ook een uitgebreid stuk over. Wijbenga en ik zijn het roerend eens.

Bij grote delen van de gemeenteraad schoot Wijbenga’s pleidooi echter in het verkeerde keelgat. NIDA liep voorop om hem in Rotterdamse stijl te grazen te nemen: ‘Zondebokpolitiek!’, ‘U zet mensen tegen vluchtelingen op!’, ‘Schande!’ Je moet lenig van geest zijn om dit uit zijn verhaal te halen, maar soit, dit is hoe het gaat, dacht ik. Bovendien zat er voor de goede verstaander, bedolven onder de felle woorden, ook nog een boodschap in die wel degelijk het overdenken waard is: als je als leider iets zegt gaat het er niet alleen om wat jij met je woorden bedoelt, je moet je ook realiseren wat je achterban verstaat. Dat is niet altijd hetzelfde.

Naar NIDA luister ik wel meer met bovengemiddelde interesse. De pleidooien van Nourdin El Ouali en zijn makkers over diversiteit, integratie en emancipatie zijn temperamentvol en niet zelden vilein, maar ook intelligent en dooraderd met ethiek. Bovendien vertegenwoordigen ze een groep Rotterdammers die zich midden in de integratieparadox bevinden: mensen met een migratieachtergrond en een relatief hoge opleiding en goede carrière, die juist door het meer dan gemiddelde contact met autochtone Nederlanders relatief veel afwijzing ervaren. Als je de complexiteit van onze jonge superdiverse samenleving wil begrijpen, dan moet je hén willen begrijpen.

Halverwege vorig jaar verweet NIDA mij selectieve verontwaardiging, toen ik in een debat pleitte voor maatregelen tegen de oprukkende Jodenhaat in ons land. Ja, antisemitisme is verschrikkelijk en daar moeten we tegen in actie komen, maar waarom hoorde men mij niet over moslima’s die beschimpt en geïntimideerd worden? Het was een pleidooi voor principiële zuiverheid en dat nam ik ter harte: niet lang erna vroeg ik het College, samen met een NIDA-raadslid, om ook actiever op te treden tegen schandalige incidenten als het bespugen van moslima’s.

Juist daardoor stuitte de stunt van NIDA van afgelopen dinsdag, waarover zo meer, me zo enorm tegen de borst. U moet weten: het Arabisch-Israëlische conflict is één van de belangrijkste bronnen van culturele spanningen in onze samenleving. Het is een bron van frustratie en boosheid voor islamitische jongeren die zich verbonden voelen met de Palestijnen. Het komt veelvuldig terug in de straatcultuur waardoor ze zich afkeren van de Westerse manier van leven, waardoor de sfeer in schoolklassen soms grimmig is, en waardoor ze hun eigen kansen vergooien. Het is bovendien een van de belangrijkste bronnen van Jodenhaat in Nederland.

Dus: wie oprecht ‘verbinding’ en ‘inclusie’ wil, en wie oprecht wil bijdragen aan de kansen en de emancipatie van deze jongeren, die moet helpen hen ervan te overtuigen dat dat conflict weliswaar in allerlei opzichten ontzettend vervelend is, maar dat het in onze samenleving geen plek heeft. Het is voor hen, hier, niet belangrijk. Het mag niet iets zijn dat hen, hier, onnodig frustreert en tegenhoudt. Laat Israël en Palestina aan de Israëli’s en de Palestijnen, hier zijn wij allemaal Rotterdammers. De vlag die hier hoort te wapperen is die ene die ons verbindt: de Rotterdamse. Dat is de énige juiste boodschap zijn en die boodschap zou je in de eerste plaats van NIDA mogen verwachten.

Maar nee. Nota bene NIDA, de partij van emancipatie, ethiek en het verwijt dat het principieel onzuiver is om Jodenhaat niet in één adem met islamofobie aan te kaarten, die presteert het afgelopen woensdag om met vlaggen en al uit naam van de Palestijnen tegen het Songfestival te demonstreren - omdat Israël daaraan deelneemt. De leiders van NIDA zullen het vast graag witwassen door te zeggen dat erover gediscussieerd moet kunnen worden dat de Palestijnen niet mogen deelnemen en Israël wel, en dat antizionisme niet hetzelfde is als antisemitisme. Maar leiderschap is dat je je bewust bent van het effect van je woorden. Het gaat er niet om wat je bedoelt, het gaat erom wat door je achterban wordt verstaan. Dat is wat ze twee weken geleden Wijbenga zelf zo venijnig voor de voeten wierpen.

En wat die achterban verstaat is dit: ons, de moslims, wordt weer onrecht aangedaan. Wees boos op Joden.

Het is malicieuze identiteitspolitiek die de emancipatie van alle jonge moslims die het hebben gezien en wier woede en afkeer van onze samenleving weer is aangewakkerd, een schop achteruit heeft gegeven. De morele rechtlijnigheid van NIDA is niets meer dan een stuitend hypocriete pose. Bah.