Dagblad010 | Het gelijk van Hugo Borst: zelf voetballen

Het gelijk van Hugo Borst: zelf voetballen

mainImage

De opbouw was al perfect. Een effectvolle pass vanuit de as, over de grond met buitenkant rechts naar de verre rechterhoek. Ogenschijnlijk nonchalant maar wel degelijk geconcentreerd door onze Garrincha verwelkomd en mee de hoek in genomen. Vijf pylonen gaf hij zigzag dribbelend het nakijken. Daarna de voorzet, loepzuiver, retestrak en precies in de looprichting van de afmaker. Die, vol op de wreef, het net liet bollen alsof het stormde.

Niet lang daarna hetzelfde links. Lange trap door de lucht vanuit het centrum, lekker op z’n Robbie Rensenbrinks gecontroleerd en meegenomen. Vijf pylonen in de knoop gespeeld. Fraaie voorzet door de lucht. Afgerond met een harde gerichte kopbal in de korte hoek.

Zo ging het maar door, anderhalf uur lang, zoveel mogelijk rekening houdend met anderhalve meter onderlinge afstand. Voorafgegaan door een warming-up. Daarna lekker met de bal aan de gang. Dribbelen, positiespelletjes, combinaties, kaatsen, kappen en draaien, trappen over langere afstand en afwerken op het doel. Een totaalpakket van jezelf verwennen. De hele wereld laten zien dat de liefde tussen jou en de bal ook na ruim twee maanden onthouding nog steeds gepassioneerd is.

Hugo Borst trakteerde zijn AD-lezers ooit in een column op zijn persoonlijke Genot Top 3. Op de derde plaats: seks, niet belangrijk hoe, met wie of hoe lang. Op twee: gezellig uit eten met vrienden of familie, als het kan een hele avond. En op één, onbetwist op één: zélf voetballen. Of je 7 jaar bent of 77, of je Champions League speelt of lager dan laag, zelf voetballen was volgens Hugo de grootst denkbare uiting van genot.

Hij had en heeft gelijk, er gaat niets boven zelf voetballen. En wat is het heerlijk dat het weer mag van ome Mark en ome Hugo, al is het mondjesmaat. En al moet je je thuis verkleden en mag je niet douchen. Met een man of vijftien de bal liefkozen. Op een kunstgrasveld dat zo vlak is, dat de bal zoals het hoort naar je luistert. Je loopt nog net niet met een erectie op het veld, maar het scheelt weinig. Zo’n dropkick die precies aankomt waar jij het wilt, hoe geil is dat. Een schot op doel dat de lat teistert, waarbij het geluid vier woonblokken verderop te horen moet zijn, is dát lekker.

De jongste van ons krijgt volgende maand  voor het eerst AOW. Maar we doen het, elke week weer. Wandelend voetbal, maar af en toe gooien we er natuurlijk een sprintje uit. We geven ons volledig, alsof we weer twintig zijn. Zelf voetballen, wat een genot, wat een met niets anders te vergelijken invulling van vrije tijd, wat had Hugo gelijk. En dat je de drie dagen daarna geen poot kunt verzetten, dat je tegen rigor mortis aanzit, ach, what the fuck. Laat de corona de tering krijgen. We mogen weer voetballen. Wat een geschenk.