Met de recente brief van het college kan de indruk ontstaan dat de besluitvorming over het AZC in het Zuidelijk Randpark in Barendrecht, bijna op de grens met Rotterdam, nog volledig openligt. De werkelijkheid lijkt echter genuanceerder. Achter de schermen zijn al veel stappen gezet en ligt een groot deel van het traject klaar voor besluitvorming.
Het COA heeft de locatie geschikt bevonden, de businesscase is positief, de minister heeft ingestemd en de noodzakelijke onderzoeken naar onder meer bodem, geluid, verkeer, natuur en veiligheid zijn uitgevoerd. Ook zijn er bestuurlijke afspraken en afstemming geweest met regionale partners, waaronder de provincie Zuid-Holland en de gemeente Rotterdam. De belangrijkste puzzelstukken liggen daarmee op tafel; het nieuwe college hoeft vooral nog het laatste besluitvormende stuk te leggen.
Politiek gezien is dat een begrijpelijke, maar ook gevoelige positie. Waarom zou een vertrekkend college zijn handtekening zetten onder misschien wel het meest omstreden dossier van de afgelopen jaren, als die verantwoordelijkheid ook kan worden overgedragen aan een nieuw bestuur? Dat nieuwe college krijgt straks niet alleen de formele besluitvorming voorgelegd, maar ook de maatschappelijke discussie en onrust die daarmee gepaard gaan.
Op papier lijkt er nog ruimte voor keuzes. Er kan worden gesproken over beheer, veiligheid, verkeer, toezicht en aanvullende voorwaarden. Maar de vraag is hoeveel echte speelruimte er nog bestaat nu de locatie al geschikt is verklaard, de onderzoeken zijn afgerond en het Rijk zijn goedkeuring heeft gegeven.
Voor veel bewoners voelt het proces daarom alsof de trein het station al heeft verlaten, terwijl zij nog mogen meepraten over de kleur van de stoelen.
Daar ligt de kern van de frustratie. Maandenlang kregen inwoners te horen dat hun inbreng belangrijk was en dat participatie een belangrijke rol zou spelen. Tegelijkertijd werden stap voor stap de voorbereidende seinen op groen gezet en werden bestuurlijke afspraken verder uitgewerkt. Het is dan ook niet vreemd dat bewoners zich afvragen hoeveel invloed zij daadwerkelijk hebben gehad op de hoofdvraag: de keuze voor deze locatie. Of mochten zij uiteindelijk vooral meepraten over de uitwerking?
Ook de aangekondigde participatie wordt daarom met scepsis bekeken. Want waarover kunnen inwoners nog daadwerkelijk invloed uitoefenen? Gaat het om de locatie zelf, of vooral om de verkeersroutes, de inrichting van het terrein en de praktische uitvoering? Voor veel omwonenden is dat niet de discussie die zij wilden voeren. Zij wilden meepraten over de kern van het besluit, niet alleen over de manier waarop het wordt uitgevoerd.
Het risico bestaat zo dat participatie verandert in een zorgvuldig georganiseerd proces waarin inwoners uitgebreid hun mening mogen geven, maar waarin de belangrijkste richting al vaststaat. Bestuurlijk kan zo’n traject zorgvuldig worden ingericht, maar voor bewoners kan het voelen als inspraak achteraf: meedenken over een besluit waarvan de contouren al zijn bepaald.
Het nieuwe college krijgt daarmee meer dan alleen een AZC-dossier. Het krijgt een dossier waarin landelijke afspraken, regionale belangen en lokale zorgen samenkomen. Maar bovenal erft het een groeiend wantrouwen onder inwoners tegen het bestuur die zich afvragen wanneer er in dit proces nog werkelijk iets te kiezen viel.