Waarom er Indo-bataljons moesten komen

25 January 2026, 21:46 uur
Columns
mainImage

Indo-bataljons, wat een woord. Ik kwam het tegen in de discussies over de mogelijke oprichting ervan, begin twintigste eeuw.

En ik dacht: waarom?
Die Indo-bataljons vormden een oplossing voor een probleem, vonden koloniale kringen. Dat probleem bestond wel degelijk, waar het de Indo-Europese bevolkingsgroep betreft.

Althans, een deel van deze groep. De armere mensen. Zij hadden niet of  nauwelijks toegang tot Nederlandstalig onderwijs en beheersten deze taal dan ook slecht. Daar komt het zogeheten 'krom praten' van Indische personages in koloniale romannetjes van. En niet alleen in romannetjes. Ook in het maatschappelijke leven van alledag.

Het betekende ook, dat deze armere Indo-Europeanen alleen de lagere kantoorfuncties konden vervullen. De taal, immers. De bespotting door anderen.

Bespot worden doet pijn.

Daardoor ontstaat wrok.

Wrok heeft een uitweg nodig.

Dat wilde het gouvernement niet. Er moest iets gebeuren.

De journalist mr. P. Brooshooft publiceerde in 1901 zijn brochure 'De Ethische koers in de koloniale politiek. Daarin  verscheen het idee: 'Zoo dus de Regeering kan besluiten de arme Indo's op veel grooter schaal tot het Indische leger te trekken, bijv. door oprichting van afzonderlijke Indo-bataillons met gunstige voorwaarden van toetreding, dan zou ik dit, bij den persoonlijken moed, schuttersaanleg en bestandheid tegen ontberingen van vele Indo's, voor beide partijen -  staat en individu -  uitstekend achten.'

Geen negatieve context dus. Al blijft het een twijfelachtig iets, om op basis van etniciteit iemand eigenschappen toe te schrijven.

Maar het idee was er, om de toenemende onvrede onder het zogeheten Indo-proletariaat te kanaliseren. Gunstige voorwaarden, meer kennis van de Nederlandse taal, tucht en discipline - een win/win situatie, zo leek het.

Na het artikel  ontbrandde er dus een discussie.  Een voorbeeld. De Indische Gids, 1902, besprak de kwestie op wat sussende toon maar nam wel een ingezonden schrijven op van iemand die zich noemde 'Een geminachte blauwe Indo', en deze afzender eiste autonomie.

Een forse eis.

Het zou er niet van komen, de Indo-bataljons evenmin. Het vergde te veel geregel, vermoed ik, en het Oost-Indische Leger was een dermate log apparaat dat zoiets niet gemakkelijk viel te realiseren. Want het betekende onder meer reglementen aanpassen, kazernes herinrichten en lastige vraagstukken beantwoorden over kwesties als doorstijgen in de rangen.

Dat 'Indo' lag gevoelig. Geen wonder dat de latere luitenant-generaal Van Daalen zich nooit heeft uitgesproken over zijn Indische achtergrond, al helemaal niet toen hij eenmaal commandant van het KNIL was, in de jaren 1910-1914.

Dat de oprichting van Indo-bataljons zo in de aandacht kwam, zegt iets over deze tijd. Vooral over het groeiende besef bij het gouvernement dat er Indo-proletariaat bestond dat een dreiging vormde. Zij waren Europaan, zij waren Nederlander en zij voelden, de dag is nabij dat wij niet meer wachten op het geschenk van gelijkwaardige behandeling, maar die zullen opeisen.

 

https://www.indischeschrijfschool.nl