Onze Kansspelautoriteit heeft recent een interessant cijfer naar voren geschoven. Uit onderzoek blijkt dat slechts 1% van alle spelers (bij vergunde gokbedrijven) goed is voor een gigantisch deel van de totale brutowinstmarge.
En met gigantisch bedoelen we echt fors: 43% van de totale inkomsten. Dat is absurd veel en roept serieuze vragen op over hoe de gokindustrie in Nederland functioneert en gereguleerd wordt.
Volgens de KSA hebben deze “big spenders” één ding gemeen: ze laten maandelijks minimaal €2.500 achter op goksites. Dat bedrag ligt in de buurt van het mediane netto-inkomen in Nederland. En dan te bedenken dat meer dan 10.000 accounts elke maand minstens dit bedrag kwijt zijn.
Het is dus geen klein clubje excentrieke miljardairs dat voor deze cijfers zorgt; het zijn gewone mensen, die in sommige gevallen misschien méér verliezen dan ze zich kunnen veroorloven.
Daar tegenover staat dat de meeste gokkers zich wél weten te beheersen. Maar liefst 68% van de accounts komt niet boven de €100 verlies per maand uit. Toch zit er een flinke groep tussenin: ongeveer 6,4% van de spelers (zo’n 66.000 accounts) ziet maandelijks minstens €700 verdwijnen in het digitale casino.
Een stevig bedrag, zeker als je bedenkt dat het hier niet om een eenmalige uitgave gaat, maar om structureel gedrag.
Het is dan ook geen wonder dat steeds meer Nederlandse gokkers het binnenlandse aanbod links laten liggen en uitwijken naar mogelijk meer profijtige oorden. Bij de allernieuwste online casino’s in het buitenland is er in veel gevallen meer kans op winst.
Hoe komt dit? Natuurlijk blijven het kansspelen, maar het is een feit dat er in het buitenland meer promoties (mogen) worden uitgedeeld, waaronder ook cashback (geld terug bij verlies), bovenop een gemiddeld hoger uitkeringspercentage dan in Nederland.
Voor alle duidelijkheid, hiermee bedoelen we niet onvergunde en onveilige goksites, maar wel veilige buitenlandse casino’s die een vergunning hebben van een internationale gokautoriteit.
Het onderzoek van de KSA laat ook zien dat jonge spelers extra kwetsbaar zijn. Hoewel 18- tot 23-jarigen gemiddeld maar €66 per maand verliezen, blijkt dat een klein groepje binnen deze leeftijdscategorie een onevenredig groot deel van de gokomzet genereert. 1% van deze jonge spelers zorgt zelfs voor 33% van de totale inkomsten uit deze groep.
Daarnaast valt op dat veel spelers nachtbrakers zijn. Gokkers die vooral tussen middernacht en zes uur ‘s ochtends spelen, hebben een verhoogd risico op problematisch gokgedrag. De KSA heeft zelfs vastgesteld dat spelers die minstens vijf nachten per maand actief zijn of ‘s nachts meer dan €300 vergokken, in een duidelijke risicocategorie vallen.
Als je erover nadenkt, klinkt dat best logisch: in de vroege uurtjes zijn we vermoeider, nemen we slechtere beslissingen en is er weinig sociale controle.
De KSA wil strenger gaan handhaven en zoekt naar manieren om problematische gokkers eerder te signaleren. Gokbedrijven zijn al verplicht om risicospelers te waarschuwen, maar in de praktijk blijkt dat nogal wisselend te gebeuren.
Sommige aanbieders grijpen pas in als de situatie écht uit de hand loopt, terwijl anderen eerder actie ondernemen. Dit gebrek aan eenduidigheid maakt het lastig om effectief in te grijpen.
Door dit beter in kaart te brengen, kan er gerichter worden ingegrepen. Daarnaast wordt er gesproken over strengere interventieregels en het aanscherpen van de criteria voor verplichte waarschuwingen en interventies.