Het college van Rotterdam erkent de grote historische betekenis van de Razzia van Rotterdam, maar ziet geen aanleiding om de jaarlijkse herdenking dezelfde formele status te geven als de Dodenherdenking op 4 mei en de herdenking van het bombardement op 14 mei. Wel zegt het college de samenwerking met de organiserende Stichting Razzia Monument Rotterdam te willen voortzetten en verder te versterken.
De herdenking van de Razzia van Rotterdam (en Schiedam) op 11 en 12 november, waarbij circa 50.000 mannen en jongens van 17 jaar en ouder werden afgevoerd voor dwangarbeid in Duitsland, van wie ongeveer 2.000 nooit zijn teruggekeerd en waarna Rotterdam in een ernstige hongersnood werd gestort, is daarentegen nog altijd een particulier initiatief. Deze herdenking maakt geen volwaardig onderdeel uit van de gemeentelijke herdenkingscyclus (4 en 5 mei, 14 mei: bombardement, 11 en 12 november: Razzia).
Dat blijkt uit de beantwoording van schriftelijke vragen van voormalig raadslid Ellen Verkoelen (Groep Verkoelen), die stelde dat de gemeente de herdenking van de razzia onvoldoende ondersteunt en deze structureel onderdeel zou moeten maken van de gemeentelijke herdenkingscyclus.
Volgens het college ontvangen de herdenkingen op 4 en 14 mei een andere vorm van ondersteuning, omdat zij in opdracht van en namens het gemeentebestuur worden georganiseerd. Voor andere herdenkingen, waaronder die van de Razzia, geldt volgens het stadsbestuur een maatwerkbenadering, waarbij per organisatie wordt bekeken welke ondersteuning gewenst en mogelijk is.
Het college wijst erop dat de Razziaherdenking al jarenlang gemeentelijke ondersteuning krijgt. Zo is de (loco)burgemeester aanwezig om een toespraak te houden en een krans te leggen, ondersteunt Team Externe Relaties, Protocol & Kabinet de organisatie en ontvangt Stichting Razzia Monument Rotterdam een financiële bijdrage. Daarnaast zegt de gemeente bereid te zijn voortaan actief de inzet van bodes bij kransleggingen aan te bieden, als de stichting daar gebruik van wil maken.
Een uitsplitsing van de financiële bijdragen per herdenking kan het college niet geven. Volgens het stadsbestuur lopen subsidies vaak via organisaties die meerdere activiteiten organiseren, waardoor bedragen niet aan afzonderlijke herdenkingen zijn toe te rekenen.
Het college benadrukt dat de impact van de Razzia op Rotterdam en haar inwoners wordt onderkend, maar zegt geen formele rangorde tussen herdenkingen te hanteren. "Elke herdenking verdient het om met aandacht en respect te worden behandeld", schrijft het college.