Het Rotterdamse stadsbestuur ziet vooralsnog geen aanleiding om een fatbikeverbod in te voeren naar het voorbeeld van Enschede. Hoewel ambtenaren contact hebben gehad met de Twentse gemeente over de ervaringen met het verbod, wijst het college erop dat de juridische houdbaarheid nog onzeker is en dat fatbike-overlast in Rotterdam niet op specifieke locaties geconcentreerd voorkomt.
De beantwoording volgt op schriftelijke vragen van raadslid J.M.D. de Waard (Leefbaar Rotterdam), die wilde weten welke lessen Rotterdam kan trekken uit het fatbikeverbod in het centrum van Enschede. De Waard verwees daarbij naar berichten dat het verbod daar heeft geleid tot minder fatbikes in het centrum tijdens winkeltijden.
Volgens het college zijn de uitkomsten van een eerder onderzoek naar fatbike-overlast inmiddels bekend. Op basis van meldingen via de MeldR-app en signalen bij Mobiliteit en Directie Veiligheid blijkt dat het aantal meldingen beperkt is en verspreid over de stad voorkomt. Er zijn geen specifieke hotspots of duidelijke concentraties van overlast vastgesteld.
Op ambtelijk niveau heeft Rotterdam contact gehad met collega's in Enschede over de uitvoering en effectiviteit van het verbod. De eerste resultaten daar wijzen volgens het college op minder fatbikes in de verbodszones. Daarbij zijn circa twintig boetes en twintig waarschuwingen uitgedeeld. Tegelijkertijd loopt nog een bezwaarprocedure tegen een opgelegde boete, waardoor de juridische uitkomst van het verbod nog niet vaststaat.
Daarnaast wijst het college erop dat de werking van het verbod mogelijk wordt ondermijnd door de opkomst van zogenoemde skinnybikes, die buiten de huidige definitie van een fatbike vallen en de regels kunnen omzeilen. Ook loopt een rechtszaak van een fatbikeverkoper tegen de gemeente Enschede. Volgens de verkoper maakt de Wegenverkeerswet 1994 geen onderscheid tussen fatbikes en andere elektrische fietsen en mogen gemeenten niet zonder meer afwijken van landelijke regelgeving.