De gemeente Rotterdam heeft de afgelopen twee jaar 34 meldingen ontvangen over huisvesting die gekoppeld is aan werk, maar heeft nog geen sancties opgelegd. Het stadsbestuur erkent dat arbeidsmigranten hierdoor sterk afhankelijk kunnen zijn van uitzendbureaus en verhuurders.
Aanleiding zijn vragen van raadslid K.J.P. van Eikeren (PRO) over zestig sociale huurwoningen van Woonbron in de Jan Meertensflat. Die worden volgens de vragensteller via uitzendbureaus verhuurd aan arbeidsmigranten. Bewoners zouden huurprijzen betalen boven het wettelijke maximum.
Het college is bekend met de constructie waarbij arbeids- en huurcontracten formeel gescheiden zijn, maar de huur wel op het loon kan worden ingehouden. Daarmee wordt volgens Rotterdam de Wet goed verhuurderschap niet omzeild. Wel noemt het college de sterke afhankelijkheid van werknemers van het uitzendbureau of de verhuurder "onwenselijk".
Woonbron is met de betrokken uitzendbureaus in gesprek over de huurprijzen. Volgens de corporatie zijn die mogelijk niet in lijn met de Wet betaalbare huur. De bureaus moeten de prijzen waar nodig aanpassen. Anders beëindigt Woonbron de samenwerking.
De gemeente controleert bij tijdelijke verhuur op basis van de Leegstandswet naar aanleiding van meldingen. Van de 34 meldingen tussen juli 2024 en juli 2026 zijn zeven situaties door bemiddeling opgelost. Twee zaken lopen nog.
Rotterdam erkent dat er waarschijnlijk meer misstanden zijn dan worden gemeld en onderzoekt daarom uitbreiding van proactieve handhaving. Ook gaat het college met Woonbron in gesprek over de Jan Meertensflat. Volgens de gemeente voldoet het huidige gebruik van de woningen wel aan de eisen van de verleende vergunning en is het daarmee rechtmatig.