‘Als ik een lekker wijf zag met een mooi lijf was ik verkeken’

‘’Na achtentwintig uitverkochte bokspartijen in Madison Square Garden in New York had ik een paar honderdduizend dollars opgestapeld in een kast liggen. Schots en scheef, maar ik had ze. Ik woonde in een landhuis en ik had een mooi wijf. Margarieta heette ze. Een Spaans-Amerikaanse sinaasappelen koningin. Ik had een week met d’r gevoosd, zat op een terras met vrienden en zeg: jongens, ik ga trouwen Ik was niet meer te houden. Een half jaar later was ik potje los.

De tweede was een Australische. Die jatte ook alles en vertrok met de noorderzon. Dat was maar goed ook, anders had ik ze verzopen. Een moeder die twee kinderen achterlaat, is geen moeder. M’n dochtertje moest bij terugkomst naar een tante in Delft, en m’n zoontje bleef bij mij. En als ik huilde, troostte die aap me.
Je had ze geen geld moeten geven, papa, zei hij dan. Die jongen wist precies wat er allemaal gespeeld had.

Ze is ook nooit meer teruggekomen. Ze heeft nog één keer gebeld vanuit Melbourne om precies te zeggen hoeveel ze had gestolen. Voor de buitenwereld leek ze best een aardige moeder, maar als ik onverwacht thuiskwam, liepen de kinderen in hun blote kont overal te plassen en te poepen. Ze speelt nu de hoer.”

Aan het woord (in 1977) is de legendarische oud-bokser Bep van Klaveren (1907-1992), over wie nu een film wordt gemaakt. Het verhaal werd destijds opgeschreven door de huidige politiek redacteur van Dagblad010: Jan D. Swart. Hij kende Van Klaveren van a tot z. Dit jaar is het 90 jaar geleden dat in Nederland de Olympische Spelen werden gehouden en Van Klaveren er in het vedergewicht goud won.

Prins Hendrik voosde met allemaal lekkere meiden’

‘’De opening in 1928 werd verricht door Prins Hendrik. Hij was de man van de Koningin en het verhaal ging dat Wilhelmina geweigerd had om te komen, omdat de dag van de opening van de Spelen niet met haar was afgesproken. Wat een tering kapsones, he. Ik heb er later nog veel aan moeten denken toen ik hoorde dat Hendrik met heel veel wijven voosde en dat zijn schoonzoon Bernhard daar ook een houtje van had.

Ik was zelf helemaal geen rokkenjager. De impresario’s en dat waren Yankees met zulke tieten met geld, die namen me mee naar hoerenhuizen en lesbische clubs, maar dan wist ik niet hoe gauw ik weer naar buiten kon komen. Ik was daar een rare in. Dat wilde ik niet. Maar die mokkels hingen wel om me heen. Zwaan kleef aan. Ze liepen allemaal te wachten of ze een nacht mee mochten Ze keken de broek van je reet. Je kon boksen, en dat was dan wel niet veel, maar je kon tenminste nog wat. Er hingen hele grote aanplakbiljetten in New York. Van Klaveren, European champion en Olympic champion. Geen woord van gelogen. Ik was de beste. Misschien niet de mooiste, maar er viel niet van me te winnen. Ik vrat ze op. Ik verdiende geld als water. En dus nam ik de mooiste wijven mee. Ik vond het leuk als ik een bioscoopje met ze kon pakken. Meer hoefde ik niet. Wat dat betreft was ik een dooie diender. Maar ik maakte één fout: ik gaf ze wel mijn portemonnee. Ik was gauw verliefd en tippelde overal in. Een mooi lijf en ik was verkeken.’’

Deel 2, later vandaag.

Print Friendly, PDF & Email

Reageer op dit artikel

Bron: Jan D. Swart Archief

Elke avond het laatste nieuws uit Rotterdam? Gratis abonneren!