Er wordt van het bijzondere leven van Rotterdams beste bokser Bep van Klaveren binnenkort een film gemaakt. Daarom herdenken we vandaag de Olympisch kampioen 1928 – nu 90 jaar terug – met zijn eigen verhaal, maar vooral zijn eigen woorden. In 1977 werden ze al uit de mond van het internationale vedergewicht opgetekend door Jan D. Swart, de huidige politiek redacteur van Dagblad010.
Het is stadsgeschiedenis en het komt uit Crooswijk, ooit de wijk waar tientallen beroemde Nederlandse boksers door Theo Huizenaar (1900-1993) werden gevormd: Bep en Piet van Klaveren, Luc van Dam, Leen Janssen, Carel Janssen, Cor Eversteijn, Stan van den Driessche en Bram en Wout Kloppert.

Maar Van Klaveren bereikte de States. ‘’Per wedstrijd verdiende ik tien- tot veertigduizend dollar en toen stond de dollar nog voor bijna vier gulden. Maar geld gaat gauw op. Ik had veel vrienden. Ze sliepen bij je, ze aten bij je, ze leenden zonder terug te betalen, ze namen je auto’s mee. Graflijers en uitgenasten genoeg in de wereld. Ze hebben zelfs een keer een paard voor me gekocht. Daar kon ik goed mee winnen op de draverij, zeiden ze. Maar dat pleurisbeest kwam altijd als laatste binnen.

‘Alle poen was weg, en ik pikte het’

Ik heb in Amerika altijd de slechtste adviseurs gehad. Ze waren allemaal lid van de maffia. Ik krijg van één van zon proleet nog altijd veertigduizend dollar voor een gewonnen wedstrijd in New York Noot uitbetaald. Ik voelde al nattigheid na twee dagen, en toen ik hem drie jaar later tegenkwam, kreeg ik een fles cognac van zeventig jaar oud. Alle poen was weg.
Zo ging dat, en ik pikte het. Ik heb altijd in een roes geleefd, want de volgende wedstrijd leverde weer gemiddeld dertigduizend dollar op. Ik had auto’s, een farm en een villa. Geen bank. Ik bewaarde de poen thuis. Geld interesseerde me geen moer.

Als God me ineens zo’n wijf als Annie had gegeven was ik nu rijker geweest dan Juliana. Bij de eerste krepsels ging het om geld. Maar voor Annie maakt het geen reet niet uit hoe ik rondloop, als ik er maar ben. Geld hebben we niet meer. Ik heb AOW, ik fiets, ik train, en ik praat met mensen die ik nog nooit eerder van m’n leven gezien heb, en dan krijg ik wat toegestopt. Hoe gaat het, Bep? Nou, het gaat wel goed, en dan krijg ik ‘n geeltje.
Er is hier in Rotterdam Noord een vent, God mag weten hoe ie heet, maar als ik hem tegenkom, krijg ik een meier. Ik ben hem dit jaar al tien keer tegengekomen en ik heb al tien keer een meier van hem gekregen. De laatste keer zei ik: Waar ben je morgen? Toen zei hij: dat zeg ik niet.

Ik hoef ook In geen enkel café te betalen. Ik krijg m’n koffie gratis. In illegale gokhuizen mag ik altijd naar binnen. Ik krijg fruit, ik mag blijven eten, het kost me niks. Bep, kom achter me staan, want je brengt geluk. Soms moet ik ook achter een vreemde vent gaan staan, want vreemden breng ik ongeluk, heel eigenaardig. Ik moet alleen geen kaas gevreten hebben, want dan ligt de kat erop. Laatst won een vriend van me negentigduizend gulden. Daar krijg ik dan ook een paar stuivers van. Ik ga al jaren voor niks tweemaal per week naar de sauna. Ik ken de ouwe Wijburg nog uit de tijd dat hij prins Bernhard masseerde. Een jaarabonnement kost drieduizend gulden, maar mij niks.

‘Ik zei tegen Theo, als je de handdoek gooit, steek ik je dood’

Die sauna heb ik ook nodig. Want ik wil een tiptop conditie houden. Ik ben zeventig, ik moet vocht kwijt kunnen raken, want ik drink veel. Water en koffie. Dat heb ik altijd gedaan en daar heb ik altijd bonje om gehad. Als ik zesenzestig kilo woog, en ik moest voor een gevecht zestig zijn, dan kreeg ik dagen niets te drinken. Ik heb een keer in Manchester gebokst, en toen moest er in één week vijf kilo af, omdat er anders een boete betaald moest worden voor mijn overgewicht. Maar één dag voor de partij stortte ik zowat in elkaar. Ik zeg tegen die partijorganisator, ik heb zo’n dorst, en ik heb zo’n honger. Ik voel me niet goed. Hij zei: ga maar naar boven, daar is een cafetaria, en die boete betaal ik wel. Ik naar boven. Vier gebakken eieren, toast, en een paar grote bakken koffie. Theo Huizenaar, mijn baas, zwaar de pleuris in, maar ik sloeg Jack Hudson wel knock-out. Die gozer had zevenentwintig gevechten gemaakt, waarvan twee onbeslist en vijfentwintig gewonnen. Maar na die knock out heeft hij nooit meer gebokst.

Ik heb me altijd kapot gevochten. Tegenwoordig staken ze de partij al als er één scheurtje in een wenkbrauw zit. Ik heb eens een keer een scheur in m’n lip gehad, daar kon m’n tong doorheen. Toen riep Huizenaar: Ik gooi de handdoek, ik kan het niet meer aanzien. Ik zeg: als je stopt, steek ik je dood. Ik heb in Australië gebokst tegen Jack Carroll, op blote voeten voor vijftig duizend mensen, in de stortregen. Na afloop moesten er tweeëndertig hechtingen in m’n gezicht, zonder verdoving. Ik hing als een blinde tussen twee mensen in, maar ik had de partij wel uitgemaakt.

‘Krijg de stront, jij’

Ik heb nu een fiets, AOW en fijn wijf, en paar gezonde kinderen. Ik heb zelfs een manager, Aad Veerman, die betaalt alles. Als ik morgen in de ring zou staan tegen een jonge vent, sla ik nog steeds z’n kop eraf. Ik ben topfit. Drie jaar geleden was mijn haar nog helemaal zwart, en zwart van mezelf. Nu pas zit er een beetje grijs doorheen. Maar spoelen doe ik alleen m’n mond, niet m’n haar. Ik ben wel hees, maar geen wijf. Krijg de stront jij’’.

Deel 4, vanavond

Print Friendly, PDF & Email

Reageer op dit artikel

Bron: Jan D. Swart Archief

Elke avond het laatste nieuws uit Rotterdam? Gratis abonneren!