Zit samen met mijn buurvrouw van boven bij haar boven (op de derde verdieping) naar buiten te staren. ‘’‘Gek hè’’, zeg ik, ‘’wat een stilte ineens!’’
‘’Ja’’, antwoordt ze, ‘’zelfs die stilte kan je nu horen.’’
Daarvoor zaten wij zo’n twee jaar lang met al onze andere buren in een heksenketel van lawaai. Vanwege eerst de sloop en daarna de nieuwbouw van verzorgingscentrum De Provenier. Eén grote geldverslindende operatie aan de Provenierssingel en de omliggende zijstraten die nooit nodig was geweest, zo betoogde ik enkele jaren terug. Het dertig jaar oude gebouw had makkelijk gerenoveerd kunnen worden. Niet als een verzorgingscentrum in een tweede leven, maar als laagdrempelig hotel (vlak naast CS) of studentenflats.

In plaats daarvan zitten wij nu tegen een ‘monster’ aan te kijken. Een burcht. Een grote kazerne met militaire legergroene ramen en hekwerken. Ontworpen zonder één sprankje creativiteit. Zonder vrolijke verfkleurtjes, laten we zeggen: geel of blauw. Vanwege deze uitzonderlijke soberheid en somberheid zullen ook toekomstige bewoners hier zeker vrolijk van worden. Het is volkomen smakeloos.

Maar het toppunt van onze ellende beleefden wij eind 2017 en begin van het Nieuwe Jaar in 2018. Om de haverklap konden wij niet werken (met onze deadlines en al) omdat er steeds weer sprake was van kabelbreuken in de nieuwbouw. Geen internet. Telefoon eruit. TV weg. Om stapelgek van te worden. Soms 24 uur lang, soms vijf dagen achter elkaar. Met ontelbare klachtentelefoontjes per mobiel.

IJsberend door je eigen thuis vanwege een nest aan lawaaipapegaaien aan de overkant. Elke morgen vanaf zeven uur ’s ochtends tot sluit in de late middag. Om met je kop tegen het plafond  te gaan. De inzinking nabij.

Na talloze telefonische klachten dus maar een schadeclaim ingediend bij aannemer Slokker. Komt er een paljas langs in driedelig kostuum om namens de opdrachtgever het ‘eigen vlees’ te gaan keuren. Met zijn eindconclusie: ‘’Schade? Over welke schade heeft u het eigenlijk, meneer Postma?’’ Ik kon ‘m wel opknopen.

Maar het allerergste is dat ik nu voor goed mijn gouden stadsengel op het stadhuis kwijt ben. Ik keek erop vanuit mijn huis. Maar ook dat uitzicht is me ontnomen.

De beschermengel van het stadhuis. Ik heb er ooit aan de top en nok naast mogen staan. Zijn vleugels raakte ik er teder mijn vingertoppen. Wanneer? Dat moet ergens in de jaren tachtig zijn geweest toen de engel van een nieuwe laag bladgoud werd voorzien. Als toenmalig verslaggever van Het Vrije Volk had ik toen de eer om daar een kleine reportage over te maken.

Pas later realiseerde ik me dat ik nog de enige levende Rotterdammer ben die naast die stadhuisengel heeft gestaan, want de bladgoudman kwam uit Brabant.

Jaren daarna – in de tijd van de oprichting van de Stadspartij in begin jaren negentig – is er nog een poster van gemaakt. Dat zou nu een collectors item zijn. Tijdens de verkiezingstijd hing deze affiche op honderden plekken door de stad. Samen met mijn gouden beschermengel sta ik er stralend op. Met daaronder de tekst: Jim Postma voor burgemeester.

Dat is de stad godzijdank bespaard gebleven.

Maar nu dus: weg engel. Als ik vroeger bij Jana thuis boven, met een wijntje in mijn hand, naar buiten keek en mijmerde, straalde de bovenaardse beschermengel tot in mijn straat. Flonkerend. In een overweldigend zonlicht. Nu niet meer. Voor mijn neus staat een kazerne. Metershoog. Zonlicht en engel zijn weggevallen en de duisternis is er voor terug.

Bouwend Rotterdam.
En nooit, nooit, nooit heeft ooit iemand aan de bewoners van de Versijdenstraat gevraagd: ”Vindt u het leuk, zo’n kazerne?”

 

Print Friendly, PDF & Email