”Ik ben een schoolvoorbeeld van een zenuwenlijer en dat is altijd zo geweest. Frans van Dusschoten zei altijd: Cor, luister, zie je die stoel daar? Ga daar nou eens rustig op zitten. Doe je kont naar achteren, zodat je benen bengelen en hou je waffel. Dat deed ik dan ook. Maar dat duurde drie minuten. Daarna zat ik ongemerkt weer op één bil op het puntje, en dan zo dicht mogelijk in de buurt van de asbak en in de starthouding om te kunnen plassen. Nou doe je het wéér, Van Gorp, zei Frans dan. En dan keek ik naar Dré, de rust zelve, niet op te fokken. Ben ik zo jaloers op.”

De Rotterdamse cabaretière Corrie van Gorp, inmiddels 75 jaar, al enige jaren in alle anonimiteit in Ommoord uitblazend van een turbulent leven, krijgt woensdag in Luxor een eerbetoon op initiatief van komiek en Rotterdammer Richard Groenendijk en hij sleepte André van Duin in zijn enthousiasme mee. Van Duin is Dré, over wie Van Gorp vertelt in een interview met Jan D. Swart, dat hij publiceerde in één van zijn – samen met Johan Derksen geschreven – boeken met de titels: Kanjers, Cultheden & Engnekken.

”Vroeger op school was ik ook altijd de enige van wie alles gezien werd”, vertelde Van Gorp, nu precies veertig jaar geleden. ”Van alle leerlingen heb ik ook de meeste pijn geleden. Ik zat op de Koningin Wilhelminaschool in Rotterdam, aan de Crooswijksesingel, en daar werd door de meesters behoorlijk geramd. Het was een soort school der tucht. In Crooswijk woonden de boefjes. Wie iets verkeerd deed moest z’n vingers uitsteken en kreeg met de lineaal op de kootjes. Dan stierf je van de pijn. In het gunstige geval moest je de gang op, maar dan moest je wel het geluk hebben dat de hoofdonderwijzer je niet zag. Elk kwartier liep hij zijn ronde. Dus als hij kwam moest ik me onder de jassen aan de kapstokken optrekken, zodat hij m’n benen niet kon zien. Als je de mazzel had, liep hij voorbij en hing je safe. Maar als hij geen haast had, was je na drie minuten alsnog de lul. Of de kapstok brak. Ja Van Gorp, kom er maar onder vandaan. Hij kende niet alle leerlingen van naam, maar mij wel.

Ik had de pest aan school. Als je eenmaal een slechte naam had, droeg je die zes klassen lang met je mee. En ik was toch al kwetsbaar, want ik was in de tweede klas van de lagere school blijven zitten, nog net geen record. Maar wel een uitzondering. Het woord blamage kende je nog niet, maar zo voelde het wel. Het merendeel van het jaar was ik ziek geweest: alle kinderziektes op een rij. En wanneer je dan al van huis uit geen uitblinker bent, dan heb je het dubbel moeilijk. Maar goed, ik heb die lagere school wel afgemaakt. Later de kappers-en modevakschool, hoewel ze bij ballet in eerste instantie erg veel bezwaar tegen me maakten: iemand met alleen maar lagere school, die kan toch niet dansen?

Daarom heb ik me in de kreukels geoefend om te bewijzen dat ik wel ergens goed in was. Mijn hele leven bestond uit m’n tricootje en m’n balletschoenen. Maar ik leerde zodoende wel alle facetten. Na het Nationale Ballet kwam het cabaret van Wim Sonneveld. Willem Nijholt en ik waren de youngsters. Niet de meest logische route, maar ik heb hem wel afgelegd. Ik had die geweldige drive, omdat ik vroeger een tik had van beroemdheden. Ik heb een maand lang op de wolken gelopen omdat ik Andy Williams ontmoet had en ik had een poezenhandje gekregen van Diana Ross, mijn God, je wilt niet weten hoe vereerd ik toen was.

Ik heb alle buitenlandse sterren die in Nederland optraden bezocht. En omdat ik zo klein ben, klapte ik dan m’n stoel omhoog om ze beter te kunnen zien. Tien tellen later klapte zo’n stoeltje dan natuurlijk naar beneden en sloeg ik wéér een flater. Eigenlijk is echte ontspanning voor mij ongedwongen met vrienden in de zon zitten en lekker eten, ook al heb je geen trek. En dan tot sluitingstijd blijven zitten, net zolang totdat obers gaan roepen: wanneer rotten jullie nou eens op?

Ik hou ook van een sfeertje met kaarsen. Lachen. Veel lachen. Op vakantieadressen, met Nederlands sprekende obers, hoor je dan al bij aankomst: daar heb je dat schorem weer. Maar wel graag betaalbaar eten, want ik ben een paar jaar geleden met Dré, z’n vriend, m’n nichtje en d’r man op vakantie in Zuid-Frankrijk geweest, maar dat was niet te doen. Eén cocktailtje kostte er omgerekend vierenveertig gulden. En als je keek was het op. Trouwens: het glas was al leeg als je de pit eruit haalde. Zo ben ik niet opgevoed.

Ik kom uit het tofste deel van Rotterdam. In Crooswijk kende iedereen elkaar na de oorlog. Vergelijkbaar met de Jordaan in Amsterdam. Er woonden méér boksers dan verder in het hele land. Als Bep van Klaveren op de fiets voorbij reed, ging iedereen in de houding staan. Hij was Olympisch kampioen, de held van de wijk. En ik was de dochter van een in die tijd groot muzikant en dan had je als klein kind altijd wel een streepje voor. Crooswijk was het een bevriende community met het Schuttersveld in het midden. Daar voetbalden de stoere jongens op het koolas en ik had ze als mijn vriendjes.

Ik vind het ook belangrijk goeie vrienden te hebben. En ik heb ze. Ik ben zelfs een beetje sentimenteel in die dingen. Toen ik in de Jordaan woonde, in een piepklein huisje, wist ik waar ik terecht kon als er wat gebeurde. En ik heb mensen ook altijd nodig gehad. Of laat ik het zo zeggen: ik kon niet buiten ze. Ik heb heel lang gauw in de put gezeten. Als ik alleen was en het werd donker, dan voelde ik de depressies opkomen en als het dan zover was belde ik eerst m’n moeder en daarna zette ik een plaat op van Sonneveld en dan wachtte ik net zolang tot hij erop lachte. Meestal was het dan meteen over.

Heel gek, maar die man is altijd bij me. Ik heb, terugkijkend en vergelijkend met al die anderen, eigenlijk maar kort met hem gewerkt, maar de impact van die man, die uitstraling en ook dat bezitterige. Kindjes, zei hij altijd tegen Willem Nijholt en mij, kindjes, we gaan vanmiddag naar de palingafslag in Volendam. Dan speelden we in Hoorn en moesten we mee. Niemand had zin, maar Wim Sonneveld zei het en dan gebeurde het. Geen discussie, want dan had hij al weer een busje geregeld.

Kindje, ik heb zo’n pijn in mijn maag. En als ik dan de nacht tevoren niet geslapen had en ik zei dat ik óók pijn in mijn maag had, dan kon ik zijn antwoord dromen: Oh God, jij ook al. En dan de overtreffende trap: ik heb de hele week ook al geen oog dicht gedaan. Die man kon geweldig klagen. Dat heel snel in de put zitten, dat heb ik van hem. Maar m’n neus krulde tien meter omhoog als ik met dat rattenkoppie naast hem mocht staan. Je adoreerde die man.

Misschien heb ik in die tijd ook wel te veel van mijn lichaam gevergd. Mijn probleem is dat ik mijn werk niet voor honderd procent kan doen, maar altijd over die honderd heen wil. Ik heb heel lang aan overmatige sloop gedaan. Na een voorstelling ook nog eens tot zes ’s morgens zingen in een bandje van vrienden. Feest en fuif. En als ik dan doodop thuis kwam, kon ik niet slapen. Dan kleedde ik me weer aan en ging de hond uitlaten. Ja, op die manier vraag je om ellende.

Nu heb ik weer gordelroos en een tijd terug een gezichtsverlamming, ’n beetje een hangend oog. Toen het me overkwam, dacht ik dat ik het aan m’n hart had. Ik was niet eens in staat om een nummer te draaien zo trilden m’n handen. Ik ben toen in paniek naar de overkant gelopen naar een studentenhuis. Die hebben de zaak geregeld. Ik heb dagenlang geen mamma of pappa meer kunnen zeggen, en ik dronk door een rietje. Gewoon een kwestie van overwerkt zijn. De fout was dat ik mezelf verwaarloosd had.

Dooie handen. Buikkrampen. Zuurstoftransporten. Ik heb altijd wat. Benauwd, zweverig. Tot een arts zei: het is hyperventilatie. Dat was voor het eerst dat ik dat woord hoorde. Toen pas ben ik eens goed gaan lezen wat daarvan allemaal de symptomen zijn en ook de consequenties. Toen las ik ook dat onrustige mensen meestal onfortuinlijke mensen zijn en verdomd dat is nog waar ook. Want als niemand kijkt draai ik op het ijs een perfecte driedubbele axel. Maar als in de winkel van de slager geen molm gestrooid is, lig ik met m’n kont omhoog. Dré heeft vaak genoeg gezegd: je speelt geen halve gare, je bent het.

Een paar jaar geleden trad Sammy Davis op in het concertgebouw in Amsterdam. Er is een diner voor genodigden en ik zit naast een wildvreemde vent die mijn arm uit balans brengt, hup, de soep over mijn jurk. Ik kwam als dame binnen en ging als stukgoed weg. Meneer Davis vriendelijk lachen, maar dan schaam je je toch kapot. Als mensen in Spanje sangria drinken, gaat dat bij iedereen goed, maar bij mij is het rietje lek. Laatst zit Dré hier thuis, ik haal een krukje van boven, dat vervolgens van de trap valt en dan hoor ik hem beneden roepen: valt mee, Van Gorp, dat jij het zelf niet bent.

Achteraf is die hyperventilatie me natuurlijk al veel eerder overkomen, maar toen kon ik het niet plaatsen. Bij de begrafenis van Wim Sonneveld ging ik ook onderuit en dat is natuurlijk buitengewoon gênant, allemaal mensen om je heen die je kennen als een mafketel en dan lig jij op apegapen. Dan voel ik mezelf een enorme stumper. Geen idee hoe lang ik dat met dit werktempo allemaal nog zal volhouden. Ik kan er niet buiten, maar ik voel de sloop’.

Print Friendly, PDF & Email

Laat een reactie achter

Bron: Boek: Kanjers. Culthelden & Engnekken, van Jan D. Swart en Johan Derksen