Je kunt geen krant of opinieblad openslaan of er staan verhalen in over innovatie. Over verbluffende technologische uitvindingen en startups van slimme jonge mensen die in korte tijd (soms letterlijk) de wereld veroveren. Wij omschrijven Nederland inmiddels graag als ‘kenniseconomie’ en verwijzen met veel plezier naar onze ‘VOC-mentaliteit’. Bevestigd door een top-20 plek in het mondiale lijstje van best functionerende economieën. En gekoppeld aan de regelmatig terugkerende ‘wetenschappelijke’ vaststelling dat Nederlanders behoren tot de gelukkigste mensen ter wereld.

Inderdaad gebeuren er bijzondere dingen in ons landje. In de regio rondom Eindhoven bijvoorbeeld. Daar is, ondanks het vertrek van grote onderdelen van Philips, in korte tijd een Nederlands ‘Silicon Valley’ ontstaan. Te danken aan een groep ondernemers met de ‘guts’ hun droom na te jagen en het verschil te willen maken (plus het leiderschap van ervaren entrepreneurs als VDL-oprichter Wim van der Leegte en bestuurders als Bert Pauli).

Daarnaast kom je niet voor niets op BNR Nieuwsradio de ‘Gazellen’ (nieuwe succesvolle bedrijven) tegen, als voorbeelden van positieve krachten die in ons land tot ontwikkeling komen. Dus lijkt het ook logisch dat de landelijke politiek haar beleid (ondersteund door mooie economische groeicijfers) graag richt op deze zichtbare vooruitgang.

Maar is het daarmee ook terecht heel Nederland als innovatief te typeren? Of hebben wij het hier over een prachtige bovenstroom die ons het zicht op de overige realiteit beneemt? Zoals het innovatieve beeld van de Verenigde Staten de meesten onwetend laat over derde-wereld-achtige omstandigheden die voor forse delen van de Amerikaanse bevolking gelden. Je kunt niet zo makkelijk zeggen dat een heel land wel of niet innovatief is. Het ligt genuanceerder. Ook bij ons.

Een groot deel van de investeringen, zowel van bedrijven als van overheden, gaat op dit moment naar automatisering. Dat levert wel vernieuwing op, maar dat zijn vaak procesverbeteringen, om sneller en efficiënter te kunnen werken. Dat is niet hetzelfde als fundamentele innovatie die heel nieuwe producten of diensten oplevert of klanten op een geheel nieuwe manier benadert. Terwijl de samenleving wèl razendsnel verandert en er dus wel degelijk ruimte is voor die innovaties. Maar vanwaar die terughoudendheid? Dat kan te maken hebben met de ervaring dat vernieuwen niet gegarandeerd tot succes leidt. Zeker 50% van alle innovatieprojecten blijkt te mislukken. En dat maakt innoveren – zeker in het hoofd van directies – tot een risicovolle en dure zaak.

Maar kan het ook anders? Daarvoor moeten we kijken naar wat innovaties wel of niet succesvol maakt. Twee zaken springen er daarbij uit. Ten eerste de vraag of er genoeg aandacht is voor de toegevoegde waarde voor de uiteindelijke klant. Met andere woorden: wat levert een nieuw product of dienst voor de klant op (voordeel, gemak, tijdsbesparing, plezier, veiligheid) en hoeveel heeft zij daarvoor over. Deze vragen moeten eerst worden gesteld, en pas dán de vraag wat zoiets het innoverende bedrijf oplevert. Maar vaak gaat het andersom. Denk aan de poortjes op de NS-stations. Goed zicht op de ontwikkeling van de klant, haar situatie, behoeften, ‘ergernissen’ en voorkeuren helpt organisaties om de juiste prioriteiten te stellen bij het ontwikkelen van nieuwe producten en diensten of een nieuwe klantbenadering. Maar dat zicht is er opvallend vaak onvoldoende.

Ten tweede hebben organisaties vaak de neiging vernieuwing uitsluitend te koppelen aan ‘de laatste kennis’ en jongere medewerkers. Waardoor onvoldoende rekening wordt gehouden met omstandigheden die niet of juist traag veranderen – zoals menselijke beleving, gewoonten, voorkeuren, wetten en regels en omgangsvormen. Met als gevolg dat vernieuwingen niet snel – of helemaal niet – worden geaccepteerd. Vaak zijn het juist oudere collega’s die met die omstandigheden meer ervaring hebben en een innovatie ‘compleet’ kunnen maken. Daarom is het belangrijk binnen vernieuwing de ‘laatste kennis’ en jonge mensen te verbinden met de ‘opgedane ervaring’ en oudere collega’s. Zodat naast het veranderlijke ook de constanten (zoals kwaliteit, klantrelaties en service) worden meegenomen.

De effecten van zo’n werkwijze zijn vaak verbluffend. Niet alleen gaat de slagingskans van innovatieprojecten omhoog, het creëert ook meer mogelijkheden om mensen waardevol te laten bijdragen. Dat stimuleert de motivatie. Bovendien heeft de kennis-ervaringsuitwisseling tot gevolg dat het opleidingsbudget omlaag kan, oudere medewerkers productiever worden en de jongere collega’s eerder het gewenste niveau van vak-volwassenheid bereiken. Waardoor jongeren minder snel de neiging zullen hebben naar de concurrent te gaan, en bijvoorbeeld het ziekteverzuim onder de ouderen naar beneden gaat, omdat zij zich meer gewaardeerd voelen.

Nederland kent prachtige voorbeelden van innovatie en vernieuwing, maar veel bedrijven verbergen ook een enorme ongebruikte potentie onder hun medewerkers. Er is dus alle reden daarmee aan de slag te gaan. Ook omdat daarmee werkgelegenheid wordt behouden die anders zomaar zou kunnen verdwijnen.

Koos Woltjes is oud-journalist, ondernemer, (bedrijfs-)strateeg, conceptdenker, schrijver, communicatieprofessional en medeoprichter van de Business Revelopment Group (‘knopen in productiviteit oplossen door vernieuwing te koppelen aan ervaring’)

Print Friendly, PDF & Email