Door Jan D. Swart

Hij zou deze maand 100 jaar zijn geworden: de steenrijke excentrieke Rotterdamse entrepreneur Bram van Leeuwen.
Alias Prins van Lignac.
Een titel die hij zichzelf cadeau deed.
Hij zei die verdiend te hebben na een armoedig leven in een van de straten achter het Mathenessserplein in Rotterdam West bij het eindpunt van lijn 11.
Tot op een dag de paling bij de kleine koopman ging lopen en hij een zelfstandig opgebouwd imperium verkocht aan Anton Dreesmann.
Prijs: 215 miljoen gulden.
Een maand later kocht Bram een jacht met letterlijk en figuurlijk gouden kranen (zie foto onderaan) en zou er tot aan zijn dood op zijn 83e jaar met een Thaise bemanning de wereld mee rondvaren.
In 1995 interviewde ik hem. Dat ging zo.

Meneer Van Leeuwen, u verkoopt als directeur en soloaandeelhouder het Nederlands Talen Instituut, Lekturama , Keurkoop en nog tweeëntwintig andere bedrijven met in totaal 1260 medewerkers in één range aan Anton Dreesmann, voor het naar geruchten toch ook voor u wereldwonderlijke bedrag van 215 miljoen Nederlandse guldens, en dan?
Hoe omschrijft u de spanning en sensatie van zovéél geld tussen de dag van de notaris en de dag waarop het bedrag tot op de cent nauwkeurig ook daadwerkelijk op uw rekening staat?
Van Leeuwen: ‘ Als onverdraagzaam’.
De toon lijkt gezet.
Niemand, meneer Van Leeuwen, naar we aannemen ook u niet, niemand ontstijgt geheel zijn jeugd, dus moeten er in de uren daarna onmiddellijk buitenissige wensen door uw hoofd hebben gespookt. Graag een eerlijk antwoord.
‘Ten eerste een zeewaardig jacht, bovendien met bedienden die tot het einde van mijn leven voor me zouden kunnen koken en ten tweede, maar vrijwel gelijktijdig, een auto voor mijn oude moeder in Rotterdam: een Citroën, zo’n lange, die zo lekker veert’.

Bram van Leeuwen, alias Prins van Lignac, lacht zoals Albert Mol, alle tanden bloot, en voegt eraan toe: ‘Ja, ik heb al mijn eigen tanden en kiezen nog. Ook in dat opzicht ben ik een wereldwonder’.

Het gesprek lijkt op het eerste gevoel gesmeerd te lopen. Hij is er goed voor gaan zitten. Hij koppelt een bijna regenteske attitude aan een innemende vriendelijkheid en oogt bereid tot gezellig pareren.
Binnen hoeveel dagen, meneer Van Leeuwen, maakt Anton Dreesmann de volledige miljoenen aan u over?
‘Binnen een week. Op maandag sloot ik de deal. De vrijdag erop was de deadline: elf uur ’s morgens. Ik had gezegd: tot vijf over elf wil ik plooibaar zijn. Daarna is mijn flinkheid opgebruikt’.
En?
‘Precies elf uur’.
Hoe heeft u in de nacht van donderdag op vrijdag geslapen?
‘Niet. Er zijn in het leven hele bijzondere nachten waarop u het noodlot van mogelijk niet ontwaken niet moet tarten’.
Wat deed u ’s nachts?
‘Lezen, rekenen en puzzelen’.
Wat dacht u toen het om zes uur licht werd?
‘Ik dacht: ik wou dat het half negen was. Want dat was het afgesproken tijdstip dat mijn bankier mij voor de eerste keer zou bellen. Maar ik heb hem gebeld. Ik ken mijn ongeduld. Goedemorgen: daar ben ik. En? Gelukkig, verreweg het merendeel was binnen. Om klokslag elf uur de rest. De Heer Dreesmann had het overal vandaan gefietst’.
Is er een moment van twijfel geweest?
‘Nee, in het geheel niet. Maar het ging om een bedrag waarvan de rente die dag alleen al 62.000 gulden bedroeg’.
Meteen de hoogste rente ooit?
‘In 1980 heb ik een keer 18,6% rente kunnen maken. Dat was in de tijd dat de dollar 30% per jaar steeg, dus toen kreeg ik mijn schip bijna gratis’.
Ongetwijfeld heeft u zich een ongeluk betaald aan macro financiële adviseurs?
‘Ik zal u zeggen: ik had de goedkoopste. Ik was het zelf. Voordat het geld binnen was heb ik wereldwijd tientallen vooraanstaande banken gebeld voor goed advies. Mijn secretaris deed het voorgesprek en zette me daarna door. Ik ben ten slotte met één bankier in zee gegaan, die sprak mij aan met Koninklijke Hoogheid’.
En wat was er eerder? Het schip of de Franse Citroën?
‘Uiteraard de auto voor mijn moeder. Ik had die reeds in optie genomen. Het mensje is daarna tot haar 96e jaar rijk geweest en dat had ze verdiend’.

Het in 1983 door Voogt Naval Architects ontworpen en door Koninklijke De Vries Scheepsbouw en Royal Van Lent gebouwde bijna zeventig meter lange duur ogende witte jacht New Horizon L ligt in de eerste week van oktober 1995 afgemeerd in Amsterdam. Achteraf geen idee meer waar precies, maar vanaf de Piet Heinkade is het in volle glorie zichtbaar. De route erheen is per fax binnengekomen, inclusief de voorschriften hoe het leefdomein van de Rotterdammer Bram van Leeuwen betreden dient te worden.
Afspreken met de excentrieke en puissant rijke voormalige entrepreneur gaat volgens een streng protocollair patroon, dat die dag door uitgever Strengholt gefaciliteerd wordt. Het is geen bootje waar je even gezellig binnenwandelt. In een kleine aankomsthal moet er een rijbewijs aan te pas komen om te bewijzen wie we zijn en aan de kade wacht een ingehuurde Nederlands sprekende bodyguard in uniform die voor de zekerheid fouilleert. Type: Jon de Wolf.

Aan het einde van de loopplank buigt een Aziatische bediende, hij is  twee turven hoog. Mijn schoenen moeten uit. Pantoffels worden aangereikt. De klimatologische omstandigheden zijn die dag niet om over naar huis te schrijven, zodat het royale achterdek een verlaten indruk maakt. Maar de aansluitende deur naar de lounge – designed by Luigi Sturchio – staat open. Er wordt een stoel aangewezen. Zelf kiezen is er niet bij.
Nu is het nog slechts wachten op de man, die in zijn jeugd in het westelijk deel van Rotterdam voor twee cent twee emmers warm water koopt bij de waterstoker, maar op wiens visitekaartje nu de titels van Prins van Lignac en Hertog van Soveri Somiri prijken.
Het zijn eretitels, ongetwijfeld gekocht. Luxe en setting hebben ter plekke iets unheimisch.
Maar eerst dat schip. Van buiten hebben we mooiere gezien. Maar eenmaal binnen wordt een pracht en praal waargenomen die het best tot zijn recht komt in de Engelse taal: a sophisticated exterior design. Alles is goud wat er blinkt. Niet alleen het interieur van de lounge, maar ook dat van de kogelvrije captainsroom, de vijf suites, VIP- en douchevertrekken. Later die middag leidt Bram van Leeuwen ons hoogstpersoonlijk voor naar alle bezienswaardigheden. Het onderschip wordt gemeden. Daar verblijven zijn twaalf buigende medewerkers, die in Skri Lanka tot dienstbaarheid zijn opgeleid.
Drie zwaarwegende herinneringen blijven ons bij. Bij de ontdekking van zelfs gouden kranen kunnen ook wij niet nalaten om te vragen of koper dan zoveel lelijker zou zijn geweest, waarop Van Leeuwen antwoordt: ‘Niet lelijker, maar duurder. Koper moet je tweemaal per dag poetsen en dat zou me een extra meevarende bediende hebben gekost met daardoor meer arbeidsloon. Op basis van mijn vermoeden dat ik de leeftijd van mijn moeder zal gaan halen rekende ik uit dat goud een goedkopere investering zou zijn’.
Als we het jacht verlaten en de fotograaf de auto wil starten lukt dat niet. Nooit is een frustratie zo pijnlijk geweest. Twee dagen later laten we aan de kaarttafel van een café aan het Noordplein in Rotterdam de foto’s van het jacht zien aan de oud bokser Bep van Klaveren, hij zegt in stille verbazing slechts: attenojelijne.

Bram van Leeuwen heeft een nieuw boek laten uitbrengen met de aanmoedigende titel: Hoe u ook miljonair wordt. Alle eerdere door hem geschreven werkjes linken naar geld. Zelfs wat hij eet acht hij van belang tot verspreiding. Enig narcisme is Bram van Leeuwen niet vreemd. Maar omdat de netto opbrengsten van zijn proza altijd voor goede doelen bestemd zijn, neemt men zijn ijdelheid op de koop toe. Zijn boeken zijn bovendien de enige kans om aan boord te komen.
Zodra de Aziatische scheepsjongen ons In de lounge heeft laten plaatsnemen op de stoel die daarvoor in aanmerking komt, spoedt hij zich uit beeld. Twee seconden later komt de Prins van Lignac met uitgestrekte hand te voorschijn. Ook hij draagt sloffen. De kleur is zwart, maar er zitten witte pompoenen op. Dat maakt de entree wel enigszins clownesk.
De kennismaking is hartelijk. Onze introductie, met een vlekkeloze beschrijving van straten, winkels en de tramlijnen 10, 17 en 4 die aan Delfshaven Rotterdam passeren, geven een click. Hoe heette het mannetje op die sokkel nabij het Marconiplein? Van Leeuwen test graag. Het antwoord is: Kitje Kool.
En toch remt de weelderigheid van de omgeving elke genot om langer dan strikt noodzakelijk aan boord te zijn. De service is groot: thee, cake. De in geel gekostumeerde Aziatische jongeman staat op het achterdek onbeweeglijk als robot op afroep beschikbaar. Maar de overweldiging verliest het van de onverzoenlijkheid waarmee de Prins elk afwijkend onderwerp steeds weer terugbrengt naar het item waarvoor hij zijn tijd gereserveerd heeft. Het boek moet er worden ingestampt. Hij pusht als een terriër. (In deze weergave leest men daar niets van terug. De tijd heeft het nut daarvan achterhaald).
Wel ziet Bram van Leeuwen, vriendelijk als hij is, tijdens ons gesprek mijn ongemak. Wilt u een kussen in uw rug? Maar dat is niet wat we bedoelen.
Meneer Van Leeuwen, wie varen er zo in de regel met u mee?
‘Alleen goede vrienden’.
Hoe selecteert u die?
‘Ik heb gewone vrienden, maar ook goed gesitueerde. Vier jaar geleden heb ik ingesteld dat als ik iemand aan boord van het schip uitnodig voor een cruise, dat daarbij de vliegtickets inbegrepen zijn, businessclass. Aanvankelijk deed ik dat alleen bij vrienden die het begrotelijk vonden om zo’n ticket te kopen. Maar toen dat uitlekte, bleken mijn goed gesitueerde vrienden zich toch door die maatregel achter gesteld te voelen en sindsdien doe ik het voor iedereen’.
Nooit eens het gevoel gehad dat mensen van u willen profiteren?
‘Ik heb zoveel mensenkennis, dat dit bijna uitgesloten is, anders zou ik met zakendoen ook geen geld hebben kunnen verdienen. Mijn vriend Hans en ik zijn nu zevenendertig jaar bij elkaar, we zijn met elkaar vergroeid en hebben een speciale antenne voor mensen die andere bedoelingen hebben dan vriendschap. We hebben ook al zevenendertig jaar dezelfde vrienden, die ook zevenendertig jaar aan het einde van een diner zeggen: en dit betalen wij. Dat zeggen ze nooit aan het begin, want dan weten ze dat ik me niet vrij voel om te bestellen wat ik wil. Want als ik kreeft prefereer met champagne en er is van tevoren gezegd dat er voor mij betaald wordt, dan bestel ik die kreeft niet. Ook geen champagne’.
U wordt op uw beurt in retour ook weer geïnviteerd voor vakanties bij vrienden?
‘Zou u dit schip verlaten?’
Nee.
’Ik dus evenmin. Slechts af en toe leef ik in vergulde ballingschap aan vaste wal. Maar alleen als mijn schip in revisie is. Bij voorkeur genieten mijn vriend Hans en ik liefst elke dag van de gastvrijheid die wij aan boord te bieden hebben. Maar het is intussen wel puzzelen geworden. We willen niet in herhalingen vallen. De wereld is klein. Ook niet elk eiland is vriendelijk. Laatst lagen we in Lissabon tussen de containerschepen in en dat is net zo onprettig als wanneer je tevoren een land moet inseinen: we komen eraan en we stellen het op prijs als u voor security kunt zorgen. Het nadeel van rijk zijn is dat je op je hoede moet zijn. Sinds de ontvoering van Heineken ben ik niet meer alleen’.
Bang?
‘Dat niet. Het enige waarmee ik bedreigd word zijn bedelbrieven’.
U gaat ons toch niet zeggen dat u die leest.
‘Jawel, allemaal. Mijn moeder heeft altijd gevreesd samen met mij in het armenhuis terecht te komen, dus ik ben dat lezen verplicht aan mijn geschiedenis. Iedereen krijgt ook antwoord. Ik heb op mijn tekstverwerker onder het document non een heel lief briefje staan, dat afwijzend beschikt. Er staat er één onder de titel: kir. Dat betekent: kluitje in het riet. De derde onder: yes. Een enkele keer doe ik wel een gift, maar dat is alleen aan bonafide instellingen. Daarheen gaat ook mijn erfenis, minus een deel voor mijn vriend en verder zullen alle mensen met wie ik al die jaren gevaren heb goed verzorgd achterblijven’.
U bent nu welgeteld zevenenzeventig jaar.
‘Klopt. Maar ik hoop niet dat u straks bij het weggaan denkt: daar zat een ouwe man, en die gaat gauw de pijp uit. Ik heb nog overal zin in en dat is aan te leren. Vergeet u daarom straks bij het promoten van mijn boek vooral niet één passage volledig te plaatsen, want dat is een wijsheid die ik al neerschreef toen ik achttien was. Misschien heeft u er zelf ook nog iets aan’.
Waarna hij citeert: ‘Er loopt een jongen langs de haven en die jongen ziet een schip afvaren naar het land van geluk en die jongen is triest. Want hij heeft tijd, zin, maar geen geld.
Twintig jaar later brengen de zaken hem naar de haven terug en opnieuw ziet hij een schip afvaren naar het land van geluk. De man is triest, want hij heeft nu wel geld en ook zin, maar hij heeft geen tijd.
En als hij zeventig is, wandelt hij langzaam langs de haven, ziet het schip uitvaren en denkt: ik heb geld, ik heb tijd, maar geen zin meer’.

Print Friendly, PDF & Email