Het ziekteverzuimpercentage onder gemeenteambtenaren is in 2017 met 0,2 procentpunt gedaald naar 5,4 procent. Maar niet in Rotterdam.

Het ziekteverzuim bij gemeenten blijft wel hoger dan het landelijke cijfer: 1,4 procentpunt. Het verschil tussen gemeenten en het landelijke cijfer is wel kleiner geworden dan in 2016, zo blijkt uit de Personeelsmonitor 2017 A+O fonds Gemeenten.

Niet in alle gemeenten is het ziekteverzuimpercentage afgenomen. In gemeenten met 20.000 tot 50.000 inwoners nam het ziekteverzuim toe naar 5,3 procent en bij gemeenten met meer dan 100.000 inwoners (exclusief Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) steeg het ziekteverzuimpercentage naar 5,4 procent. De vier grootste gemeenten, waaronder Rotterdam, kenden – net als de afgelopen jaren-  in 2017 het hoogste verzuimpercentage (5,8 procent).

Op het moment dat het ziekteverzuim wordt uitgesplitst naar verzuimduur (kort, middellang, lang en extra lang) zijn er verschillen in de ontwikkeling zichtbaar. Zo nam het kort verzuim af in 2017, met 0,2 procentpunt naar 0,8 procent. Ook is het nulverzuim, het aandeel van de gemeentelijke bezetting dat zich niet heeft ziek gemeld, in 2017 gestegen van 38 naar 43 procent. Verder blijkt de meldingsfrequentie, het gemiddeld aantal keer dat gemeenteambtenaren zich ziekmelden in een jaar, gedaald van 1,11 naar 1,05.

Ondanks de daling in het kort verzuim, steeg het middellang en lang verzuim. De oorzaak van het stijgende lang verzuim ligt volgens de onderzoekers mogelijk in de ouder wordende bezetting. ”Gemiddeld genomen melden oudere werknemers zich minder vaak ziek, maar als ze zich ziek melden dan is het vaak voor een langere tijd. Het stijgende aantal medewerkers ouder dan 60 jaar in de gemeentelijke bezetting betekent dat gemeenten relatief gezien vaker te maken hebben met langdurig zieken en dat maakt het lastiger om het ziekteverzuimpercentage te verlagen.”

Drie kwart van de gemeenten werkt inmiddels actief aan vitaliteit van de medewerkers, terwijl 17 procent van de gemeenten dat in overweging heeft. Het meest vaak wordt geïnvesteerd in vitaliteit- en gezondheidsprogramma’s/dagen en het aanbieden van sportvergoedingen. In de top 5 staan ook preventief alcoholbeleid en het stimuleren van fietsen naar en van werk en lunchwandelen.

Print Friendly, PDF & Email