College vindt boycot Israëlische instellingen door LantarenVenster oke

3 July 2026, 11:19 uur
Politiek
mainImage
Google Maps

Het Rotterdamse college van burgemeester en wethouders ziet geen aanleiding om in te grijpen vanwege de culturele boycot van Israëlische instellingen door filmhuis LantarenVenster. Ook een heroverweging van de gemeentelijke subsidie is volgens het college niet aan de orde.

Dat blijkt uit de beantwoording van schriftelijke vragen van Leefbaar Rotterdam over de boycot. De partij uitte haar zorgen nadat in een krantenartikel Joodse Rotterdammers aangaven zich minder welkom te voelen in de stad en onder meer de boycot van LantarenVenster noemden als reden om het filmhuis te mijden.

LantarenVenster ontvangt binnen het Cultuurplan 2025-2028 jaarlijks 1.801.300 euro subsidie. Volgens het college zijn aan die subsidie uitsluitend afspraken verbonden over de uitvoering van activiteiten uit het meerjarenbeleidsplan. Een subsidie kan alleen worden ingetrokken of verlaagd als niet aan de subsidieverplichtingen wordt voldaan of afgesproken prestaties uitblijven. Van die situatie is volgens het college geen sprake.

Het college stelt dat de boycot volgens LantarenVenster niet is gericht tegen individuen, Joden of Israëli's als personen, maar tegen Israëlische instellingen en bedrijven die volgens het filmhuis medeplichtig zijn aan mensenrechtenschendingen. Die keuze past volgens het stadsbestuur binnen de vrijheid die de culturele en creatieve sector heeft. "Het college ziet geen reden tot het nemen van maatregelen", staat in de beantwoording. Daarnaast spreekt het college in algemene zin steun uit voor organisaties die vreedzaam actie voeren tegen mensenrechtenschendingen.

Ook verwerpt het college de stelling dat sprake is van uitsluiting van bevolkingsgroepen. Volgens het stadsbestuur richt de boycot zich uitsluitend op instellingen en bedrijven. Israëlische kunstenaars blijven volgens het college welkom bij LantarenVenster. Daarbij wordt gewezen op meerdere muziekconcerten met Israëlische musici die recent in het filmhuis plaatsvonden.

Bij de jaarlijkse subsidieverantwoording toetst de gemeente de inhoudelijke en financiële resultaten aan de prestatieafspraken en het ingediende meerjarenbeleidsplan. Omdat de boycot daar geen onderdeel van uitmaakt, ziet het college geen grond om de subsidie te verlagen of andere maatregelen te nemen.

Ook voor toekomstige subsidieverlening wil het college geen aanvullende voorwaarden opnemen om politieke boycots met publiek geld te voorkomen. Volgens het stadsbestuur is er evenmin aanleiding om dergelijke boycots juist te stimuleren. "In de culturele sector mag het maatschappelijk debat gevoerd worden", aldus het college.

Het college ziet tot slot geen aanleiding om met LantarenVenster in gesprek te gaan over het beëindigen van de boycot. Volgens het stadsbestuur blijft het uitgangspunt dat de boycot is gericht op Israëlische instellingen en bedrijven en niet op personen of hun afkomst.